maandag 14 juli 2025







Een succesnummer            


Een familielid bezocht gisteren met haar man het park ‘de Apenheul’. Ik heb even rondgekeken op hun uitnodigende website. Het is vooral gericht op kinderen, maar het lijkt mij ook heel leuk en nuttig om er als volwassene  een dagje heen te gaan. 

Mijn ‘rapporteurs’ maakten melding van een bijzonder incident.


Een enorme gorilla  ging verliefd naar een vrouwtje, strekte een lichaamsdeel en begon vol overgave aan  bezigheden die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van zijn  soort.

Ja, recht voor een gezelschap van kinderen en volwassenen. Van alle kanten kwamen meer gluurders aangesneld. Giechelen zwol aan tot luid hilarisch gelach. Als gorilla ,’het zal je maar gebeuren’, voel je dat het een succesnummer is.


Kinderen vroegen uitleg; ‘pappa wat doet die aap daar’.

‘Gymnastiek’ Miesje.

‘Lummelen’ Bertje

Het gaat hier duidelijk om een mens-aap. Dichter bij mensen is geen dier.


Als mens hebben wij op dit moment een probleem dat er veel te weinig wordt gedaan aan de instandhouding van onze soort.

Waar gaan we heen?   Van AOW tot andere sociale voorzieningen; ze moeten in de nabije toekomst door steeds minder mensen worden betaald. Een sociale ramp dreigt. 


Ik lanceer, als belanghebbende,  de oplossing:

 

Samen voor 2x € 24,75 euro naar de Apenheul, naar de gorilla’s, ogen goed  de kost geven en thuis, zonder kijkers, …………………… NA-APEN


zondag 1 september 2024





Sociale Aapjes



 Ik lees met verbazing in de krant dat wetenschappers na veel onderzoek hebben ontdekt dat apen elkaar namen geven. Door langdurig observeren, ontdekten zij dat tien zijdeaapjes elkaar bij naam ‘aanspraken’. 

Gezegd wordt dat dit fenomeen ook al van toepassing is op olifanten en dolfijnen. Ik kwalificeerde dit als oli fantasie, dol fijnen en apenkool van een groep op hol geslagen intellectuelen, zelf met namen. 


Ik heb de globale resultaten van het zijdeaapjes-onderzoek in die krant gezien. Het is een kwestie van interpretatie van roepgeluiden naar elkaar, fluitende geluiden, ‘spontaan kletsen’ van de aapjes.  Kennelijk geen scheldgeluiden of dreigingen. De aapjes waren heel sociaal en de sociale samenhang was voorbeeldig. 


Na een cynische eerste benadering, word ik wat milder. Ik moet denken aan onze huidige sociale ik-samenhang van ons mensen in relatie tot dit zijdeaapjesgedrag. "We denken dat dit gedrag voor hen cruciaal is om te overleven", zegt onderzoeker David Omer


Mijn idee: allemaal met spoed naar de apenkooi en na apen.

vrijdag 23 juni 2023

De dassenwippers




Toen ik de leeftijd van zestien jaar bereikte, naar de mening van mijn ouders genoeg lol op school had gemaakt en daartegenover nauwelijks aanwijsbaar resultaten had neergezet, werd voor mij een werkplekje gevonden op de afdeling advertentie-incasso van N.V. Dagblad Het Parool te Amsterdam. De administratieve afdelingen van Het Parool waren gevestigd in het Bungehuis aan de Spuistraat en ik herinner mij die behuizing als oud en troosteloos. Elke ochtend kwam ik met duizenden andere forenzen per trein uit Hilversum, liep het Damrak af en de Spuistraat in.  Met trage tred betrad ik het Bungehuis en daarna de stoffige kantoorruimte op de tweede verdieping. 

Daar zat ik met vijfendertig collega’s opgepropt om deel te nemen aan alle handelingen die voor een juiste registratie van girobetalingen noodzakelijk waren. Om klokslag vijf werd het gebouw weer verlaten; met een wat andere dynamiek dan bij binnenkomst. Als ware er een startschot gegeven, zo verliet iedereen in ren de kantoorruimte en beukte zich de overbevolkte de lift in. Die lift zakte door het collectief overgewicht menigmaal tot onder het beganegrondniveau weg. Dan moest worden gewacht op de ‘bevrijding’ en werden wel drie tot vijf vertrekkende treinen gemist.


Ik had leuke collega’s, waaronder een twintigtal jonge vrouwen die uiteraard niet onopgemerkt bleven. Maar het werken op een grote afdeling had in die tijd een wat vervelende consequentie: er mocht alleen over zaken gepraat worden. Als je deze wetgeving overtrad, werd je venijnig door het strategisch zittend hoofd berispt. ’s Morgens en ’s middags was er een ruim kwartier gereserveerd voor koffie of thee, maar die pauze werd regelmatig verpest omdat het Hoofd, ene Richard T, zelf het hoogste woord wenste te voeren met sterke verhalen. Hoe brengt een mens nog wat werkvreugde in deze stoffige sfeer?


Ik had een -eveneens 16 jarige- maat, Willem, waarmee ik de middagpauze flanerend in het centrum van Amsterdam doorbracht. Van Oude Zijds tot Nieuwedijk, alle stegen, straten en wegen werden nauwgezet verkend. Willem was fijne gozer, die voor die tijd schandelijk progressief was uitgedost met superwijde broekspijpen, bordeelsluipers en zeer lang haar. We ontvingen de knipoogjes op de wallen, doorkruisten de Bijenkorf en slopen langs alle etalages waarin niet-alledaagse spullen ten toon werden gesteld. Al tientallen malen hadden wij voor het venster van de feestwinkel op Nieuwedijk gestaan om ons te verlekkeren aan allerlei zaken waarmee wij wat fleur (toevallig: Willem heette Fleur) in het saaie kantoorleven zouden kunnen brengen. Jeukpoeder, kunstdrollen, suikerklontjes met een spin erin, keuze te over. Het meest attractieve attribuut, tentoongesteld in het midden van de etalage, heeft ons wekenlang aangetrokken. Wij hakten de knoop door. ‘Wij willen twee dassenwippers’. De slonzige oude winkeleigenaar hielp ons met trillende handen om de attributen te bevestigen in onze stropdas en aan ons overhemd. Ze werkten nog beter dan we hadden durven dromen. Zodra de buikspieren langzaam werden gespannen, kwam de das strak en statig omhoog en bleef staan in een stijve hellingshoek vooruit. De gelijkenis hoeft niet nader te worden uitgelegd.


Die middag zaten wij gespannen achter onze bakken met kopiefacturen. Toen Elly, de mooiste aller meiden, opstond voor toiletbezoek en onze positie passeerde, kwamen de twee stropdassen langzaam overeind. 
Bij de enkeling die dit opmerkte, rolden de ogen zowat uit de kassen. Bij een tweede opstand der dassen, was de publiekskring al aanzienlijk groter en weldra was fluisterend de mare ‘moet je Hans en Willem zien’ de afdeling volledig rondgegaan. De dassen herrezen en zakten bij ieder vrouwpassage, behalve bij juffrouw Klaverman, maar die was op weg naar baas Richard. Klaverman was een mannenhaatster op leeftijd en deed haar beklag over het onstichtelijk tafereel. 

Richard brulde van woede, zette ons en publique te kijk en naam ons mee het kantoor uit. ‘Wij zijn even naar personeelszaken’.
Buiten de deur sloeg Richard om als een blad aan de boom. ‘Doe het eens voor’, zei hij met een grijns tot de punt van zijn oren. Langzaam verrezen de twee stropdassen als de erectie van een vrouwtrouwe zeeman na een wereldreis. Bij dit toneel barstten wij uit in een huilend lachen. Baas Richard hervond zichzelf: ‘Zeg alsjeblief niets tegen Juffrouw Klaverman’.


Ik weet niet meer hoe, maar we hebben het gepresteerd: zonder lachen gaan zitten en overgaan tot de orde van de dag’.

dinsdag 30 mei 2023

Soep met ballen

 

 

 

Vroeger, toen deze ‘jongen’ een jongetje was, leerde je op de Lagere School nog over ‘inboorlingen’ en kannibalen (menseneters).

Dat zou nu een leerkracht voor de rechter brengen, maar toen zag ik foto’s en tekeningen van een mannen (meestal een zendelingen) met tropenhelm, in een grote hout gestookte kookpot zitten. Daaromheen dansten de feestende ‘inboorlingen’ in rieten rokjes op het ritme van een tamtam. Een kok, met een mensenbeentje in zijn haar, stond met een grote houten spaan te roeren in ‘iets’ dat een lekker soepje zou moeten worden.

 

Ik moest hieraan terugdenken toen ik dit voorjaar vanuit mijn vakantieverblijf uitkeek (zie foto) op zo’n zelfde enorme hout gestookte kookpan met deksel. Zoiets had ik nog nooit gezien, maar dat zal liggen aan mijn te beperkte kennis van de moderne martelspullen.

 

Het duurde niet lang of vier spiernaakte ‘uitboorlingen’ renden, slingerend met hun vleeswaren, op de pan af. Ze verwijderden het deksel en stapten via het trapje in het kokend nat. Ik dacht: ‘Dit gebeurt niet vrijwillig! Er moet een sluipschutter ergens aanwezig zijn.’

Vier hoofden verschenen net boven de rand van de pot. De kok verscheen niet. Ik miste daardoor de inbreng van zout en een kruidenmengsel. Wellicht brachten de vier met lichaamsvocht, voldoende smaakverbeteraars in de soep.

 

Intussen vroeg ik mij af hoe de soep zou smaken. De dikke Mercedessen van het viertal waren voor mij reden om te concluderen dat er in elk geval genoeg ‘ballen’ in waren; vier heel grote en acht kleintjes. De soep was bijna klaar want de hoofden waren verdwenen en het deksel lag op de pan. Ik overwoog met een diep bord, nieuwsgierig naar buiten te stappen voor een smaaktest. Maar de soep werd niet zo heet gegeten als hij opgediend was.

 

Naast mij weerklonk ineens een stem: ‘Man dit is geen pan, maar een hottub.’ 

Ik werd bruut geïnformeerd over het échte gebruik van dat rokende ding.  Ik vroeg mij daarna af hoe het mogelijk is dat gezonde mensen er zo veel plezier in hebben om zich in een hottub op kooktemperatuur te laten brengen. 

 

De stem: ‘Man, kijk naar je eige. Telkens wanneer je weer in je favoriete Finland bent, zit je met je blote kont in een sauna, ook op kooktemperatuur, om jezelf met een bosje berkentakken rood te meppen. En dat vind je wel geweldig. Wat is het verschil eigenlijk?’.

 

‘Geen soep met ballen’, zei ik. 

woensdag 1 februari 2023

1953, de herinnering van een zesjarige

 


Het is 1 februari 2023 en ik denk terug aan de storm van 1 februari 1953. Het was een nacht die bij mij, jongetje van 6 jaar, onuitwisbare herinneringen heeft achtergelaten.

 

Met mijn ouders werd ik vanuit Hilversum meegenomen naar Amsterdam voor een bezoek aan het echtpaar Vermeulen; kennissen die op driehoog een klein donker appartement bewoonden.

Ik ging bepaald niet voor mijn lol mee, maar al kort na binnenkomst gaf gastheer Theo Vermeulen mij een blauw houten zeilbootje dat hij zelf, speciaal voor mij, had gemaakt. Ik was dolgelukkig met dit attribuut en hield het de uren van de visite overgelukkig en vol bewondering in mijn handen. Toen we later op station Muiderpoort lang moesten wachten op de vertraagde trein (model blokkendoos) naar Hilversum, omklemde ik mijn bootje met alle kracht. Mijn ouders hadden mij in de houdgreep, want er was een razende storm opgestoken die sterk genoeg was om mij ‘mee te nemen’. Het waren heel angstige momenten. Een storm als deze is in mijn geheugen van de 64 jaar daarna, niet meer terug te vinden. Ik herinner mij de momenten nog steeds en tot in elk detail.

 

Die nacht bulderde de wind om onze woning en ik was bang, ondanks de veilige plek in mijn bed op de eerste verdieping van onze woning.  Er ontstond schade in de straat, maar dat betrof ruiten en dakpannen.

Ik kwam is morgens vroeg in mijn pyjamaatje naar beneden en daar zaten mijn ouders bij de radio. Er was iets ergs gebeurd. Hoe of wat, wist ik nog niet, maar de sfeer ademde ontzetting uit. 

 

In die dagen werd mijn broer, die twaalf jaar ouder was dan ik, door de padvinderij opgeroepen om naar Zeeland te gaan om te helpen. Ik huilde, want ik was bang dat hem iets zou overkomen. Ik heb dagen slecht geslapen en huilde opnieuw toe hij thuiskwam; van vreugde.

Mijn broer vertelde van de ellende die hij had gezien en ik zag het verbijsterde gezicht van mijn ouders.

 

Enige tijd later verscheen het boek ‘de Ramp’ bij ons in huis en ik bekeek de vele foto’s. Ze waren gruwelijk; dode mensen, dode dieren, kapotte huizen, roeiboten op watervlakten, reddingshelikopters. Ik heb het bladeren door het boek vele malen huiverend herhaald. Het sneed in mijn zesjarige zieltje.

 

In tv-uitzendingen van de afgelopen weken werd teruggekeken naar de waarschuwingen die destijds tijdig werden gegeven over de zwakte van de Nederlandse kust. Er werd genegeerd, met een afschuwelijk gevolg. Nu, zeventig jaren later, onderken ik de duidelijke veranderingen in ons klimaat. De zeespiegel stijgt snel en ook deze keer zijn we als collectief traag en ongevoelig. Het maakt mij wat ongerust. Ik woon nú al onder het zeeniveau.

 

Het blauwe zeilbootje heb ik niet meer. Het was een prachtig gesneden houtkunstwerkje met een echt zeiltje. Ik heb het vele malen op het water gezet. Het kwam altijd weer terug. Op een dag, bij een heel harde wind, zeilde het van mij vandaan; te ver en het verdween achter de horizon. Mijn cadeautje van 1 februari 1953 was weg en bleef weg. 

 

Het boek ‘De ramp’ heeft als ‘nalatenschap’ nog een plekje in mijn boekenkast. Af en toe kijk ik erin. Nog steeds met een huivering.

 

Op 1 februari van elk jaar besef ik, getekend door de indrukken uit mijn prille jeugd, welke tragedie in 1953 een deel van ons volk heeft getroffen. Ik besef ook dat ons gezin en onze familie niet heeft geleden. Wij hebben ook niets verloren.

Als zesjarige zou ik zeggen: ‘en mijn mooie blauwe zeilbootje dan?’

 

Dat vaart nu bij Groenland jongen, en het ziet de gletsjers smelten’

 

 

zondag 18 december 2022

De zuurkoolpisser



Ik moest er weer aan denken toen deze week in de vooravond, een ‘groene’ kok op tv liet zien hoe je eenvoudig zelf zuurkool kan maken.  Ik ging rechtop zitten.

Het was een duidelijke visuele en verbale uitleg hoe je van een hoopje witte kool en wat zout een ouderwets lekkere zuurkool op tafel krijgt. De kool werd met de hand gekneed en als slotakkoord werd een glaasje met zout water toegevoegd.

Dit bevestigde mij opnieuw, dat het oude verhaal waaraan ik direct weer moest denken, waar is.     

 

In het begin van de jaren zeventig werkte ik in een groot ziekenhuis. Een collega was Henk Knevel, een vijftiger van de afdeling boekhouding. Hij was een uiterst integere en zachtaardige man die oog had voor vrouwelijk schoon en dit schoon met warme stem wees op hun kwaliteiten in dezen. Onder alle omstandigheden bleef Henk een onkreukbare heer. 

 

Ondanks het grote leeftijdsverschil zijn Henk en ik lang met elkaar opgetrokken; als collega’s en tennispartners.

In de ochtend ging ik ook regelmatig voor koffie naar de boekhouding. Tijdens een gesprek aldaar, op een dag in november, vroeg één van de dames ‘Henk jij hebt toch bij een zuurkoolfabriek gewerkt?’ Dat klopte. Henk kreeg pretoogjes en vertelde erover.

 

Hij werkte als jonge blaag  in een administratieve functie bij een van de grootste ambachtelijke zuurkoolproducenten van Noord Holland; in de buurt van Medemblik. Ik weet de naam en vestigingsplaats, maar ik zal deze niet vertellen om te voorkomen dat Henk postuum nog aan het kruis wordt genageld. De zuurkool werd gemaakt in enorme houten vaten. Net zoals de groene TV-kok van hierboven vertelde, moest daar de zuurkool worden gekneed. Het was seizoensarbeid en dus werd het voltallig personeel grote kuipen in gejaagd om met blote voeten de zuurkool aan te stampen.

Het was heel zwaar werd, de baas liep rond en je kreeg de kans niet om je kuip te verlaten.

‘Maar je moest toch wel eens weg?, Riep Annette. 'Hoe ging dat dan?'

‘Wij deden ons plasje gewoon in de kuip’, sprak Henk. ‘Echt waar en de baas zei dat deze zoute urine de zuurkool verbeterde’. Hij verwees naar het feit dat de beste wijnen ook met voeten worden getreden.

Het ‘Geeeeeeeeeeedver’ weerklonk uit vele monden.

 

Het was de zuurkool die jullie groenteboer vroeger uit een klein vaatje los op gewicht verkocht. Ik herinner mij dat dit veel lekkerder was dan de zuurkool van nu; in die plastic zakjes.

Ik heb Henk later meerdere malen gevraagd ‘het was toch niet waar, Henk?’ Henk hield het telkens weer vol en ik geloof hem, ook na zijn overlijden, nu nog steeds. 

 

Het kan allemaal geen toeval zijn: na een ritje vorige week over de Afsluitdijk sloegen wij rechtsaf richting Alkmaar. Halverwege zag mijn vrouw ineens een bord links van de weg. ‘Kijk!’

‘ Zuurkool zoals opa het maakte’.

 

Ik eet vandaag zuurkool uit een plastic pakje.

 

 

 

vrijdag 15 april 2022

Ennnnn...op de loop van het geschut


Jullie zien hier een foto uit 2002. Ik sta in Helsinki op het Suomen Linna. Dat is een fort dat de haventoegang beschermt tegen aanvallen uit het Oosten. Boten varen hier door een smalle strook naar binnen en boten met slechte bedoelingen zijn kanonnenvoer.  Zelfs Poetin weet dit. 

Vrienden en kennissen bekijken de foto, zien grote letters en vragen mij steeds : ‘wat staat er op de loop van het geschut?’ 

Ik weet dan meteen wat ze vroeger als militair hebben gezongen.

 

Het brengt mij in verlegenheid, want ik ken het rijmpje/liedje ook. Ik wil ze niet teleurstellen nu zij blij zijn dat het bewuste geschut werkelijk bestaat.

Eindelijk  het geschut gevonden waarop met grote letters het  tuinafscheidingswoord staat?


Ik bevestig : Ja, dit is ‘m! 

 

Nu, na al die jaren, kan ik die tekst van het soldatenlied als feit aan jullie openbaren. 

Ik zet in.......en jullie zingen mee!


 

Ennnn….op de loop van het geschut, 

daar staat met grote letters...

'HEINEKENS BIER'       



maandag 7 maart 2022

De roeptoeter


De roeptoeter



Op een dag realiseer je je, dat je de zinsnede ‘wat zeg je?’ iets meer gebruikt. Als het tegenzit, word je geholpen met dit realiseren. Er is niets mis mee, maar er verschijnen steeds meer mensen die het niet met je eens zijn. Ik vind het lastig, maar hoe meer men mij op de TV-reclame voor hoortoestellen attendeert, hoe meer ik verzet in mij voel opborrelen. 

Na wat ik gezien heb, zal ik letterlijk en figuurlijk met een boog om die ‘hoortenten’ heen lopen.

 

Neem nou de firma Schoonenberg. Als je daar naar binnen zou stappen, word je gegarandeerd omvergeworpen door een manische kakmadam in lange jas, die rondfladdert en zich verbeeldt dat ze voldoende goed danst voor een hoofdrol in ‘de stervende zwaan’. Wat een arrogante troel! Ze strijkt neer bij vriendinnen, die haar flaporen bewonderen en constateren dat ‘het’ niet te zien is.

De vriendelijke man op je TV-scherm slooft zich grijnzend uit om dit konijn te strikken.

 

En dan 'Beter Horen'! Daar tref je een ‘overdadige vlotheid’, mevrouw Boot, die tijdens een ‘gratis onderhoudsbeurt’ staat te klagen dat ze de ‘hoge C’ niet goed meer hoort. Zie, hoe ze later op TV, stralend van geluk, in een koor staat en de hoge C uitgilt. Dit met de tevreden lach van een bordeelkassière bij het afrekenen met een rijke klant. Hoeveel koorleden hun lidmaatschap gaan beëindigen, zeggen ze er niet bij. Ik zing liever is Fis, overigens.

 

En dan Hans Anders. Ja, dat is een andere Hans dan de schrijver dezes. In die winkel vind je een krolse poes die denkt dat de aanwezige verkoop-Hans gevoelig is voor haar avances.  Bij elke gil een nieuwe bril.

Mij blijft mij bij, hoe ze André van Duin naar binnen troont om naast een bril, ook nog een gehoormachine aan te schaffen. ‘Dan kan je mijn moeder beter verstaan’. Van Duin, verbleekt. Hij laat zich voor soldij presenteren als niet geheel competent, maar ervaart het toch merkbaar als hoogverraad.

 

Als ze tegen mij zeggen dat ik mijn gehoor daar eens moet laten meten, zeg ik ‘schiet mij maar lek’. Ik krijg het gevoel van een dienstweigeraar. Wie ‘een gratis een onzichtbaar gehoorapparaat’ koopt, doet niet onder voor de juichende onderdanen bij het zien van de ‘kleren van de keizer’.

Wie dit sprookje niet kent, moet maar eens een van de drie bovengenoemde zaken binnen lopen. ‘Kleren van de keizer’ te koop!

 

Ik heb mij inmiddels mijn eigen oplossing gevonden; in de kringloopwinkel. 

Mijn kleinkinderen zeggen: ‘opa heeft een roeptoeter’. 

 

maandag 9 augustus 2021

Van Gend en Loos paarden

 

 

Ik zette vanmiddag (6 augustus 2021) mijn TV aan en zag hoe tijdens de Olympische spelen in Tokyo, de landenploegen van springruiters streden om een plaats in de finale. Dat gebeurde in  een tropische hitte. Ik had met de dieren te doen. 

 

Hippische sporten vormen de enige Olympische onderdelen waarvoor dieren worden gedresseerd. Onze mannen in deftige oranje jasjes, joegen hun dieren in de zinderende hitte zo snel en zo goed mogelijk over de barricaden. Sommige paarden trokken het niet meer. Er gingen nogal wat hindernissen door hun toedoen naar de Filistijnen. Ruiters en paarden gingen languit en beten in het stof. Die eersten gunde ik dat van harte; de paarden vond ik heel zielig. 

De oranje jasjes kan je stomen; de paarden niet.

 

Ik was nog heel jong toen ik zelf al een paard kreeg. Ik werd erop gezet en vastgehouden. Al snel mocht ik ‘los’ rijden. Ik had het ook razendsnel onder de knie. Ik bewoog mij op hoge snelheid in rondjes door de huispiste. Mij werd op dat moment een grote toekomst in de paardensport voorspeld; het CHIO in Rotterdam, bij voorbeeld.

Teleurstellend was echter het feit dat mijn eerste paard voor elke stoel, tafel of ander meubelstuk resoluut weigerde te springen en zelfs hindernissen bruut omgooide. 

 

Ik kreeg vandaag een paardenflashback. Terug naar het prille begin van de jaren vijftig.  Ik bekeek destijds de edele viervoeters met interesse, maar wel op gepaste afstand. De paarden van de groenteman, de schillenboer, de olieman en de putjesschepper parkeerden hun wagens voor de woningen van de klanten in de  Planetenstraat (Hilversum).  

Met verbazing zag ik hoe ze hun ‘benzine’ weg lieten lopen en eieren legden. Sommige paarden hadden een vijfde been. Dat riep vragen op. Mijn ouders wilden de functie niet uitleggen. De schillenboer deed dat wel: ‘die hangt er voor lul bij’.

 

Op een dag sloeg het paard Gijs, van de schillenboer, op hol. Hier dier had schuim op de lippen en stond hinnikend op de achterbenen. Ik liep de honderd meter in ‘10,6’. Dit was de oorsprong van mijn paardenfobie. Die is nooit meer genezen. 

 

We leven anno 2021. Het is een tijd waarin per dag meerdere zwart rokende dieseltjes voorrijden om tot de, in de vorige avond tot 23 uur bij Bol.com, Amazon of Cool Blue bestelde goederen, de volgende dag al af te leveren. Haast! Haast!

We jachten en jagen deze nieuwe paardenkrachten over onze wegen. We vinden winkels te ver of te duur. Geduld bestaat niet meer. En het ergste: ik doe er zelf net zo hard mee.

 

Ik behoor nog tot de generatie van direct na de oorlog. In mijn nostalgische bui bedenk ik mij hoe bestelboekje van de Gruyter maandag werd opgehaald.  De bestelling kwam vrijdag,  bezorgd op een transport- of bakfiets. Als je al een ander pakje bezorgd kreeg, dan was dat met de post of, als het groter was, met van Gend en Loos, een verlengstuk van de spoorwegmaatschappij.

 

Ik denk met weemoed terug aan de prachtige Belgische knollen die voor, met een puntzijl afgedekte wagens, de straat in sjokten om bij winkels of (soms) particulieren goederen af bezorgen. Die zendingen waren via die Nederlandse Spoorwegen al een week onderweg. Er straalde een weldadige rust van uit. Van Gend en Loos paarden sloegen zelden op hol. Je mocht het paard een klontje geven of een wortel. Er hing een zak met geplette haver om de nek. Dat was alle brandstof voor dit vervoer. Geen ongelukken en geen panne. Minimale kosten.

 

In 1957 stuurde van Gend en Loos 400 paarden, een wereld-erfgoed, zonder pardon naar het slachthuis. Er werd een tijdperk afgesloten. Via slachten naar jachten en jagen. En nu worden er arme paarden met dat ‘jachten en jagen’ in Tokyo letterlijk over de kling gejaagd; als springvee, als draafvee of als danspassenmakers op muziek. 

Dit ziende, denk ik verlangend terug aan die rustige, goed verzorgde knollen van van Gend en Loos.

 

Ik zou absoluut voor een revival van het Van Gend en Loos paard kunnen zijn. De mooiste Belgische knollen ingespannen, een kar met kap van zeil en daarachter de mannen met dat keurig oranje jasje op de bok. Dan zijn die ook nu eens nuttig! 

 

Het is een flash-back, gevolg door een idee. ‘Maandag bestellen, vrijdag bezorgen’.

KNOL.com

vrijdag 5 februari 2021

De koffiemolen



Weet je waar ik een verschrikkelijke, ontstellende, bloedstollende pesthekel aan heb? 

Dat is het openen van zo’n potdicht vacuümpak met gemalen koffie. Wat een ellende!


Op je tenen staan van voorzichtigheid, knippen in de kop van het stijve vacuümpak, even laten sissen en dan proberen de inhoud in een vierkante bus te gieten; zonder geknoei van die rot korreltjes op het aanrechtblad.

Ik snap die Nederlandse producenten niet want elders, bij voorbeeld in Noordelijke landen, levert men koffie in pakken waarvan je in de kop de gesealde stroken losjes van elkaar trekt en die bruine massa moeiteloos de bus in giet.

Douwe uit Joure doet aan consument pesten, al is het er maar één.

Meneer Egberts is bij mij Douwe Ergerberts; en je moet nog voorzichtig zijn dat je niet in het waardebonnetje knipt, want drieduizend van die dingen, kan je inwisselen voor een lullig cadeau. 


Ik heb eigenlijk al vanaf mijn kleutertijd een hekel gehad aan de voorbereidingsprocessen rond koffie.

Ik kreeg al jong een vierkante bak met een zwengel op schoot; ik moest draaien. ‘Hij kan al koffie malen’ zei moeder dan trots.

Nou, die hield ze erin. Als ik lekker zat te spelen riep ze enthousiast ’Hansje kom je koffie malen. Dan krijg jij (met de klemtoon op jij) een koekje. Ik kon ook wel  chocolademelk krijgen, maar dat vond ik niet te hachelen.

Enkele jaren daarna leerde ze mij de rest van het koffie zetten.


In een soort kokertje met gaatjes  onderin, staand op een potje, moest ik een rondje papiertje leggen. Zes lepels koffie erin, goed aanstampen met een houten koffiestamper, beetje zout erop en koffiestroop van Buisman. ‘Hans kan zo lekker koffie zetten’; net alsof dat vrijwillig gebeurde.

Ik had wel affiniteit met die houten stamper. De kartonnen reiskoffers waren mijn grote trom en ooit sloeg ik er een volledig te barsten.


Later kwam er een elektrische  koffiemolen op de markt. En Melitta-filters die zo lekker snel doorliepen. 

Ik begon koffie te drinken, van die koffie met melk , waarop grote dikke vellen verschenen. Achteraf bezien: ook niet te hachelen.


Nu ben ik gehecht aan zwarte koffie ‘met niets’. Bekers vol; uit een koffiezetter met thermoskan.

Ik moet de koffie nog steeds zelf maken, want ik ben altijd ruim als eerste uit bed. 

Ik ben een echte koffiefan geworden en drink  morgens altijd twee grote bekers..

Jammer van die harde pakken van Ergerberts.


Talloze malen heb ik mij ook al afgezet tegen die stomme senseo-zakjes van Frits Philips en de  kuipjes van Nespresso.

Die zijn helemaal niet te hachelen. Die zet je een fatsoenlijke koffiedrinker niet voor.

 

Als mijn moeder nog zou leven, zou ze mij nog steeds prijzen om  mijn lekkere koffie.


Ik heb er alleen een vacuüm ochtendhumeur bij.

zaterdag 18 april 2020

Kus verstandig


Kus verstandig!

We worden doorlopend overvoerd met de droefenis en ellende rond het Corona virus. We leven ernaar en dat is verstandig; zelfs noodzakelijk. Als je de ‘tijdelijke’ leefregels negeert, ga je zeker de pijp uit.

In deze column wil ik stil staan bij een van de weinige positieve gevolgen van de huidige pandemie: ‘het niet meer hoeven kussen’.
Het is gedaan met het handen geven, en helemaal met het overdreven kusgedoe waar ik een onbedaarlijke hekel aan heb. Ik praat vol afschuw over ‘dat aflikken’. Als ik er met anderen over praat, merk ik dat velen het roerend met mij eens zijn. Waarom doen we het dan?

In 1499 kwam Erasmus terug van een bezoek uit Engeland en meldde zijn ervaringen: ‘Als je ergens heengaat word je met kussen ontvangen. Bij het weggaan word je met kussen uitgelaten. Kom je terug: weer kussen’. 
Bij die rotzak is het zeker begonnen! Het is tot de etiquette gaan behoren en als je het niet doet dan ben je niet netjes of niet aardig. 

Ik heb mij, tot aan de maatregelen rond Corona, met gepaste tegenzin aan die etiquette gehouden.
Een teder kusje of een vurige kus, in geëigende situaties, vooruit dan maar. Maar mijn afkeer heb ik onder andere van:
- dikke zoenen, waarbij je wang bijna tegen je huig wordt gedrukt.
- klapzoenen; een snelle zuig in je wang die met een klapgeluid wordt losgelaten.
- lippenstiftzoenen, waarbij bewust grote rode gedenktekens op je wang worden gedrukt.
- recht-op-de-bek-zoenen, voor je het weet vol op je mond. Spuug-in-spuug-uit.
- natte zoenen; afgelikte lippen die je na afloop van je wang moet vegen.
- de doel-missende-zoen, snel langs de beide zijden geplaatst.
- ‘echte zoenen’, de doorsnee zoen die driemaal wordt gegeven.

Driemaal is de Nederlandse standaard. Waar de Duitser volstaat met een luchtige kus en de andere Europeanen met twee zoenen, moet de Nederlander er zo nodig drie kwijt. ‘Aaaaah du bist Holländer!’.
Ik schaam me dood.

Voor mij is ‘het aflikken’ het toppunt van onhygiëne en onzekerheid . Wordt er een wang voorgehouden?’ Begin ik links of begin ik rechts?’ Welke ellende moet ik verwachten en teruggeven?’.
In de Coronatijd zien we de luchtvervuiling afnemen. Hetzelfde geldt voor de misdaad, en………. er wordt niet meer gekust!!!! Hieperdepiep! Ik hoop dat dat zo blijft. 
Een attent, aardig of lief woordje, bij komen en gaan, doet veel dan dat vies bacterie- en virusgelebber.

Kus verstandig, lik een lolly.


vrijdag 21 februari 2020

De Viezerik


Het eerste fotokopieerapparaat dat ik in mijn leven heb gezien, stond bij de Ripolin Lak-, Verf- en Vernisfabrieken te Hilversum. Het was de producent van potjes verf met op het etiket, als handelsmerk, drie schilders die de naam ‘Ripolin’ op elkaars rug schilderden. Dat was een vorm van kopieerwerk oude stijl. Op een dag in 1964 werd in één van de kamertjes van het oude kantoorgebouw naast de fabriek aan de Larenseweg, een groot apparaat neergezet. Al dagen daarvoor was het duidelijk dat er iets bijzonders stond te gebeuren. Roukes, een vijvenvijftigjarige kantoorbediende, had te vaak met zijn slepende tred, overgehouden aan een ongeluk waarbij een gezet persoon in een zwembad bij het ‘bommetje’ spelen in zijn nek was beland, het kamertje betreden en de deur op slot gedaan. Zelfs toen het reusachtig apparaat de ruimte was ingedragen, hield Roukes de kaken strak op elkaar. ‘Wat is het Roukes? Doe niet zo kinderachtig!’
Het fotokopieerapparaat werd op een maandagmiddag onthuld door directeur Dr. Joachim Haessigli, een kolossale Zwitser die, hoe toepasselijk, zijn bureau sierde met een vlakgum van 50 cm met het opschrift ‘I never make big misteaks’. Hij had zijn hele toespraak in gebroken Nederlands wel uit kunnen gummen wegens die misteaks, maar duidelijk werd dat bij Ripolin een noviteit was binnengebracht: een fotokopieerapparaat, dat afschuwelijke losse-toner-kopietjes kon vervaardigen. Het wonder mocht alleen worden gebruikt onder toezicht van Roukes. 
De man heeft zich daarna met de grootste nauwgezetheid van zijn taak gekweten. Het was onmogelijk het apparaat ongezien te gebruiken.
In die dagen was Linda assistente van Roukes. Linda was een wat overmaatse en kortgerokte giga-bakvis die haar tijd doorbracht met het typen van facturen op een giga-Olivetti-machine. Dagelijks werd zij luidruchtig begroet door de chef expeditie van Lossum: ‘Ha, Linda mijn lekkere pinda’; waarop Roukes telkens woedend weghinkte. Dit ritueel werd na de komst van de kopieermachine aangepast: ‘Ha, Linda mijn lekkere pinda, zal ik je eens op kopieermachine zetten?’. Roukes hield de deur op slot. Hoezeer wij allen Linda wel eens op de kopieermachine zouden willen zetten, de hinkende zedelijkheidsapostel heeft het ons verhinderd. Wij hebben dit Roukes nooit vergeven. 

Midden december las ik in de Volkskrant dat de monteurs van Canon in Engeland zich op elk kantoor wel een Roukes zouden wensen. Rond deze tijd worden daar de traditionele Kerst- en eindejaarsborrels gehouden en daar wordt nogal wat alcohol geconsumeerd. Het toppunt van plezier wordt geboden door de hij of de zij die het fotokopieerapparaat durft te beklimmen om een afdruk van het achterwerk te maken. De Japanse fabrikant zegt dat het feestseizoen een stijging van 25 % laat zien in de hoeveelheid aanvragen voor reparaties van defecten die buiten ‘normaal kantoorgebruik’ vallen. Van de monteurs zegt 32 % rond de kerst wel eens een glasplaat van kopieermachines te hebben vervangen. De bil-kopieën komen aan het licht, omdat de gewraakte opnamen alsnog uit de apparaten rollen als die zijn gerepareerd. Alleen al om deze reden wordt op dit moment de glasplaat door Canon van dikker materiaal gemaakt.
Op een dag, vlak voor Kerstmis 1964, kwam Roukes met Linda het kopieerkamertje uitgehinkt, een grote glimlach op het gelaat en een verse kopie in de hand. Kwam eindelijk de felbegeerde prent uit onverwachte hoek? ‘Niet tegen Haessigli zeggen’ hield Roukes ons voor.
Van Lossum was als eerste bij het papiertje. Op het afschuwelijke grijze vel stond een lichaamsdeel, de hand van Linda. 

Het ‘Viezerik’, weerklonk als uit één mond

zaterdag 28 september 2019

Iets achter de hand houden

Een jaar of dertig geleden reed ik dagelijks op de fiets vanuit Castricum naar mijn werkgever, het Medisch Centrum Alkmaar. Bij slecht weer vluchtte ik naar de bus en steevast ontmoette ik bij de bushalte Bert Geekel, een staffunctionaris die deze busreis dagelijks maakte.
Bert Geekel was bijna vijfenzestig, vond zichzelf heel voornaam en sprak geaffecteerd.  Hij liep niet, maar schreed. Negen van de tien keer nam hij in de bus naast mij plaats; of ik wilde of niet. Dat was op zich niet erg, maar Geekel had de hinderlijke gewoonte om op dat moment  zijn verbaal volume op ‘max’ te draaien. Zo luisterden alle passagiers zijn bekakte verhalen onverkort mee.
Toen hij vertelde dat hij op bijzondere vakantie ging naar Polen en Duitsland, dreunde hij luidruchtig de lijst van te bezoeken concentratiekampen op. Toen ik daarop even luid, maar zonder kak, repliceerde met ‘dat wordt een vrolijke reis Bert’, hoorde ik duidelijk het gegrinnik vanuit  alle hoeken.
Geekel ging wekelijks naar de sauna; een groot regionaal instituut  waar men gemengd (man/vrouw) van de warme geseling genoot. Ik beging de stommiteit om het onderwerp in de bus aan te snijden. ‘Vanavond weer’ brulde Geekel voornaam.  Er volgde een gedetailleerde beschrijving van de dames uit de sauna. Het werd mij wat precair.
‘Hans, ik weet uit ervaring van iedereen,  zelfs als ze aangekleed zijn, hoe ze er bloot uitzien’. De medereizigers spitsten de oren. Ik dacht aan uitstappen. ‘En in de sauna kijk ik ze recht in hun kut’, riep Geekel; het drieletterig woord uiterst bekakt (bijna als ‘kat’) uitsprekend. Het is ‘op mijn woord van eer’ waar gebeurd. Ik wist me geen raad. Dit was het schoolvoorbeeld van de ‘vieze man’. Ik heb hierna Geekel in de bus zoveel mogelijk gemeden door als laatste in te stappen.
Ik moest er na al die jaren aan denken toen ik vorige week in de krant las, dat meer en meer sauna’s hun gasten verplichten om in badpak gekleed het ‘hete hok’ in de gaan. De vraag uit de markt geeft daar aanleiding toe. Of zijn er soms te veel Geekels?
De sauna is in Finland een bad, waarin je je lichaam reinigt; thuis of in een zwembad. Eerst een douche, dan de sauna, dan de douche en dan pas zwemmen. Zo clean als het maar kan. Als je kleding aan hebt, wordt je er vierkant uitgeschopt.  Gekleed in de sauna gaan, is namelijk super onhygiënisch en ik vraag mij af wat al die gekke Nederlanders bezielt.
Geekel is inmiddels waarschijnlijk tot de vaderen vergaderd en als hij toch nog ergens tussen hemel en aarde zweeft en aan de sauna terugdenkt, gun hem de lol van de herinnering aan jouw uh………ach je-weet-wel.
Een sauna ga je niet gekleed in. Ben je in deze tijden preuts en bang dat er  nog Geekels rondlopen die recht in  je genitaliën willen kijken, houd deze zaakjes dan achter de hand.

vrijdag 16 augustus 2019

De slimste mens




Ik ben een trouwe fan van het televisieprogramma ‘de slimste mens’. Na het nieuws van acht uur ‘s avonds pak ik snel de afstandbediening voor een druk op knop nummer 2; precies op tijd om Maarten van Rossem, het enige jurylid van het programma en zittend in een strakke fauteuil, nors voor zich uit te zien kijken.
Misschien moet ik wel zeggen: ‘ik ben een trouwe fan van Maarten van Rossem’. Met een fijne neus voor onbenul, drukt hij op een baliebelletje om in te grijpen bij stompzinnigheid. Dat gebeurt zonder tact en terughoudenheid. Baf, recht voor zijn raap en ik vind dat dit in 95% van de gevallen terecht.

Maar we hebben het toch over het programma ‘de slimste mens’? Ja, maar de tijd dat daar de slimste mensen zaten is passé. Er is haast geen slimme mens meer die zich wil lenen voor reageren op vragen die alleen te  beantwoorden zijn als je de TV of Bioscoop frequenteert.
Als een kandidaat op het niveau van ‘goede tijden slechte tijden’ de vragen als een salvo goed beantwoordt, slaat Maarten zijn hand beurs op de bel en beschimpt de opsteller van de vragen en de persoon die zich leent voor het kennen van dit soort onbenulligheden. Ik vind het prachtig.
Ook gebeurt het omgekeerde: als zelfs op dit soort vragen kandidaten het antwoord schuldig blijven, klinkt opgewekt gebel en dan complimenteert onze brombeer de kandidaten.

De start van de serie van dit jaar was voor mij wat moeizaam. Er zat een onuitstaanbare en verwaande Kees die, dankzij de zwakke tegenstand, zeven uitzendingen mocht blijven. Wat een ergernis. Zeven keer hopen dat Kees zou sneuvelen, kostte mij veel energie.
Zelfs de kanonnades van Maarten boden geen soelaas.

Het absoute hoogtepunt van de serie van dit jaar was gisteren. De vraag was ‘noem de drie buurlanden van Finland’. Niemand kon dit vraagstuk oplossen. Naast de juiste landen (Zweden en Noorwegen), noemden de kandidaten in plaats van Rusland: IJsland en Groenland. Moet je nagaan: twee eilanden heel ver van Finland in de Oceaan!
Maarten maakte werk van zijn gebel. Hij brieste als een zeeleeuw. Dit waren antwoorden die niet onderdeden voor die van de toeristen die in de zestiger jaren op de landkaard van Frits Bom,  Barcelona als verblijfplaats aanwezen als dit het Gardameer moest zijn.
‘Dit is nu het gevolg van het feit dat aardrijkskunde is verdwenen van het pretpakket op onze scholen. Dit is het onbenul ten top’. Maarten was ontzet. De kandidaten glimlachten wat verlegen.

Mijn vaste lezers herinneren zich ongetwijfeld dat ik eenzelfde geluid liet horen over de Nederlanders die geen Duits meer leerden en als idioten staan te brallen op terrassen in Tirol.

Soms, als ik verbaal gas geef, zegt men wel eens ‘je lijkt van Rossem wel’.
Ik vind dat een compliment.


Ik zal op mijn navigatiesysteem geen Groenland intoetsen als ik naar Finland wil.