zaterdag 18 april 2020

Kus verstandig


Kus verstandig!

We worden doorlopend overvoerd met de droefenis en ellende rond het Corona virus. We leven ernaar en dat is verstandig; zelfs noodzakelijk. Als je de ‘tijdelijke’ leefregels negeert, ga je zeker de pijp uit.

In deze column wil ik stil staan bij een van de weinige positieve gevolgen van de huidige pandemie: ‘het niet meer hoeven kussen’.
Het is gedaan met het handen geven, en helemaal met het overdreven kusgedoe waar ik een onbedaarlijke hekel aan heb. Ik praat vol afschuw over ‘dat aflikken’. Als ik er met anderen over praat, merk ik dat velen het roerend met mij eens zijn. Waarom doen we het dan?

In 1499 kwam Erasmus terug van een bezoek uit Engeland en meldde zijn ervaringen: ‘Als je ergens heengaat word je met kussen ontvangen. Bij het weggaan word je met kussen uitgelaten. Kom je terug: weer kussen’. 
Bij die rotzak is het zeker begonnen! Het is tot de etiquette gaan behoren en als je het niet doet dan ben je niet netjes of niet aardig. 

Ik heb mij, tot aan de maatregelen rond Corona, met gepaste tegenzin aan die etiquette gehouden.
Een teder kusje of een vurige kus, in geëigende situaties, vooruit dan maar. Maar mijn afkeer heb ik onder andere van:
- dikke zoenen, waarbij je wang bijna tegen je huig wordt gedrukt.
- klapzoenen; een snelle zuig in je wang die met een klapgeluid wordt losgelaten.
- lippenstiftzoenen, waarbij bewust grote rode gedenktekens op je wang worden gedrukt.
- recht-op-de-bek-zoenen, voor je het weet vol op je mond. Spuug-in-spuug-uit.
- natte zoenen; afgelikte lippen die je na afloop van je wang moet vegen.
- de doel-missende-zoen, snel langs de beide zijden geplaatst.
- ‘echte zoenen’, de doorsnee zoen die driemaal wordt gegeven.

Driemaal is de Nederlandse standaard. Waar de Duitser volstaat met een luchtige kus en de andere Europeanen met twee zoenen, moet de Nederlander er zo nodig drie kwijt. ‘Aaaaah du bist Holländer!’.
Ik schaam me dood.

Voor mij is ‘het aflikken’ het toppunt van onhygiëne en onzekerheid . Wordt er een wang voorgehouden?’ Begin ik links of begin ik rechts?’ Welke ellende moet ik verwachten en teruggeven?’.
In de Coronatijd zien we de luchtvervuiling afnemen. Hetzelfde geldt voor de misdaad, en………. er wordt niet meer gekust!!!! Hieperdepiep! Ik hoop dat dat zo blijft. 
Een attent, aardig of lief woordje, bij komen en gaan, doet veel dan dat vies bacterie- en virusgelebber.

Kus verstandig, lik een lolly.


vrijdag 21 februari 2020

De Viezerik


Het eerste fotokopieerapparaat dat ik in mijn leven heb gezien, stond bij de Ripolin Lak-, Verf- en Vernisfabrieken te Hilversum. Het was de producent van potjes verf met op het etiket, als handelsmerk, drie schilders die de naam ‘Ripolin’ op elkaars rug schilderden. Dat was een vorm van kopieerwerk oude stijl. Op een dag in 1964 werd in één van de kamertjes van het oude kantoorgebouw naast de fabriek aan de Larenseweg, een groot apparaat neergezet. Al dagen daarvoor was het duidelijk dat er iets bijzonders stond te gebeuren. Roukes, een vijvenvijftigjarige kantoorbediende, had te vaak met zijn slepende tred, overgehouden aan een ongeluk waarbij een gezet persoon in een zwembad bij het ‘bommetje’ spelen in zijn nek was beland, het kamertje betreden en de deur op slot gedaan. Zelfs toen het reusachtig apparaat de ruimte was ingedragen, hield Roukes de kaken strak op elkaar. ‘Wat is het Roukes? Doe niet zo kinderachtig!’
Het fotokopieerapparaat werd op een maandagmiddag onthuld door directeur Dr. Joachim Haessigli, een kolossale Zwitser die, hoe toepasselijk, zijn bureau sierde met een vlakgum van 50 cm met het opschrift ‘I never make big misteaks’. Hij had zijn hele toespraak in gebroken Nederlands wel uit kunnen gummen wegens die misteaks, maar duidelijk werd dat bij Ripolin een noviteit was binnengebracht: een fotokopieerapparaat, dat afschuwelijke losse-toner-kopietjes kon vervaardigen. Het wonder mocht alleen worden gebruikt onder toezicht van Roukes. 
De man heeft zich daarna met de grootste nauwgezetheid van zijn taak gekweten. Het was onmogelijk het apparaat ongezien te gebruiken.
In die dagen was Linda assistente van Roukes. Linda was een wat overmaatse en kortgerokte giga-bakvis die haar tijd doorbracht met het typen van facturen op een giga-Olivetti-machine. Dagelijks werd zij luidruchtig begroet door de chef expeditie van Lossum: ‘Ha, Linda mijn lekkere pinda’; waarop Roukes telkens woedend weghinkte. Dit ritueel werd na de komst van de kopieermachine aangepast: ‘Ha, Linda mijn lekkere pinda, zal ik je eens op kopieermachine zetten?’. Roukes hield de deur op slot. Hoezeer wij allen Linda wel eens op de kopieermachine zouden willen zetten, de hinkende zedelijkheidsapostel heeft het ons verhinderd. Wij hebben dit Roukes nooit vergeven. 

Midden december las ik in de Volkskrant dat de monteurs van Canon in Engeland zich op elk kantoor wel een Roukes zouden wensen. Rond deze tijd worden daar de traditionele Kerst- en eindejaarsborrels gehouden en daar wordt nogal wat alcohol geconsumeerd. Het toppunt van plezier wordt geboden door de hij of de zij die het fotokopieerapparaat durft te beklimmen om een afdruk van het achterwerk te maken. De Japanse fabrikant zegt dat het feestseizoen een stijging van 25 % laat zien in de hoeveelheid aanvragen voor reparaties van defecten die buiten ‘normaal kantoorgebruik’ vallen. Van de monteurs zegt 32 % rond de kerst wel eens een glasplaat van kopieermachines te hebben vervangen. De bil-kopieën komen aan het licht, omdat de gewraakte opnamen alsnog uit de apparaten rollen als die zijn gerepareerd. Alleen al om deze reden wordt op dit moment de glasplaat door Canon van dikker materiaal gemaakt.
Op een dag, vlak voor Kerstmis 1964, kwam Roukes met Linda het kopieerkamertje uitgehinkt, een grote glimlach op het gelaat en een verse kopie in de hand. Kwam eindelijk de felbegeerde prent uit onverwachte hoek? ‘Niet tegen Haessigli zeggen’ hield Roukes ons voor.
Van Lossum was als eerste bij het papiertje. Op het afschuwelijke grijze vel stond een lichaamsdeel, de hand van Linda. 

Het ‘Viezerik’, weerklonk als uit één mond