Terug naar vroeger? Nee, dank je. Maar het is wel leuk om de 'zegeningen' van nu, zo nu en dan, te koppelen aan de herinneringen die we bij ons dragen. Het gevoel van 'toen was geluk nog heel gewoon' vind je in mijn columns regelmatig terug. Daarnaast is het de weegschaal waarop de zegeningen, al dan niet positief, kunnen worden gewogen. Veel lezers geven aan de blik in het verleden heel fijn te vinden. 'Ik herken het helemaal'.
vrijdag 23 juni 2023
De dassenwippers
Richard brulde van woede, zette ons en publique te kijk en naam ons mee het kantoor uit. ‘Wij zijn even naar personeelszaken’.
dinsdag 30 mei 2023
Soep met ballen
Vroeger, toen deze ‘jongen’ een jongetje was, leerde je op de Lagere School nog over ‘inboorlingen’ en kannibalen (menseneters).
Dat zou nu een leerkracht voor de rechter brengen, maar toen zag ik foto’s en tekeningen van een mannen (meestal een zendelingen) met tropenhelm, in een grote hout gestookte kookpot zitten. Daaromheen dansten de feestende ‘inboorlingen’ in rieten rokjes op het ritme van een tamtam. Een kok, met een mensenbeentje in zijn haar, stond met een grote houten spaan te roeren in ‘iets’ dat een lekker soepje zou moeten worden.
Ik moest hieraan terugdenken toen ik dit voorjaar vanuit mijn vakantieverblijf uitkeek (zie foto) op zo’n zelfde enorme hout gestookte kookpan met deksel. Zoiets had ik nog nooit gezien, maar dat zal liggen aan mijn te beperkte kennis van de moderne martelspullen.
Het duurde niet lang of vier spiernaakte ‘uitboorlingen’ renden, slingerend met hun vleeswaren, op de pan af. Ze verwijderden het deksel en stapten via het trapje in het kokend nat. Ik dacht: ‘Dit gebeurt niet vrijwillig! Er moet een sluipschutter ergens aanwezig zijn.’
Vier hoofden verschenen net boven de rand van de pot. De kok verscheen niet. Ik miste daardoor de inbreng van zout en een kruidenmengsel. Wellicht brachten de vier met lichaamsvocht, voldoende smaakverbeteraars in de soep.
Intussen vroeg ik mij af hoe de soep zou smaken. De dikke Mercedessen van het viertal waren voor mij reden om te concluderen dat er in elk geval genoeg ‘ballen’ in waren; vier heel grote en acht kleintjes. De soep was bijna klaar want de hoofden waren verdwenen en het deksel lag op de pan. Ik overwoog met een diep bord, nieuwsgierig naar buiten te stappen voor een smaaktest. Maar de soep werd niet zo heet gegeten als hij opgediend was.
Naast mij weerklonk ineens een stem: ‘Man dit is geen pan, maar een hottub.’
Ik werd bruut geïnformeerd over het échte gebruik van dat rokende ding. Ik vroeg mij daarna af hoe het mogelijk is dat gezonde mensen er zo veel plezier in hebben om zich in een hottub op kooktemperatuur te laten brengen.
De stem: ‘Man, kijk naar je eige. Telkens wanneer je weer in je favoriete Finland bent, zit je met je blote kont in een sauna, ook op kooktemperatuur, om jezelf met een bosje berkentakken rood te meppen. En dat vind je wel geweldig. Wat is het verschil eigenlijk?’.
‘Geen soep met ballen’, zei ik.
woensdag 1 februari 2023
1953, de herinnering van een zesjarige
Het is 1 februari 2023 en ik denk terug aan de storm van 1 februari 1953. Het was een nacht die bij mij, jongetje van 6 jaar, onuitwisbare herinneringen heeft achtergelaten.
Met mijn ouders werd ik vanuit Hilversum meegenomen naar Amsterdam voor een bezoek aan het echtpaar Vermeulen; kennissen die op driehoog een klein donker appartement bewoonden.
Ik ging bepaald niet voor mijn lol mee, maar al kort na binnenkomst gaf gastheer Theo Vermeulen mij een blauw houten zeilbootje dat hij zelf, speciaal voor mij, had gemaakt. Ik was dolgelukkig met dit attribuut en hield het de uren van de visite overgelukkig en vol bewondering in mijn handen. Toen we later op station Muiderpoort lang moesten wachten op de vertraagde trein (model blokkendoos) naar Hilversum, omklemde ik mijn bootje met alle kracht. Mijn ouders hadden mij in de houdgreep, want er was een razende storm opgestoken die sterk genoeg was om mij ‘mee te nemen’. Het waren heel angstige momenten. Een storm als deze is in mijn geheugen van de 64 jaar daarna, niet meer terug te vinden. Ik herinner mij de momenten nog steeds en tot in elk detail.
Die nacht bulderde de wind om onze woning en ik was bang, ondanks de veilige plek in mijn bed op de eerste verdieping van onze woning. Er ontstond schade in de straat, maar dat betrof ruiten en dakpannen.
Ik kwam is morgens vroeg in mijn pyjamaatje naar beneden en daar zaten mijn ouders bij de radio. Er was iets ergs gebeurd. Hoe of wat, wist ik nog niet, maar de sfeer ademde ontzetting uit.
In die dagen werd mijn broer, die twaalf jaar ouder was dan ik, door de padvinderij opgeroepen om naar Zeeland te gaan om te helpen. Ik huilde, want ik was bang dat hem iets zou overkomen. Ik heb dagen slecht geslapen en huilde opnieuw toe hij thuiskwam; van vreugde.
Mijn broer vertelde van de ellende die hij had gezien en ik zag het verbijsterde gezicht van mijn ouders.
Enige tijd later verscheen het boek ‘de Ramp’ bij ons in huis en ik bekeek de vele foto’s. Ze waren gruwelijk; dode mensen, dode dieren, kapotte huizen, roeiboten op watervlakten, reddingshelikopters. Ik heb het bladeren door het boek vele malen huiverend herhaald. Het sneed in mijn zesjarige zieltje.
In tv-uitzendingen van de afgelopen weken werd teruggekeken naar de waarschuwingen die destijds tijdig werden gegeven over de zwakte van de Nederlandse kust. Er werd genegeerd, met een afschuwelijk gevolg. Nu, zeventig jaren later, onderken ik de duidelijke veranderingen in ons klimaat. De zeespiegel stijgt snel en ook deze keer zijn we als collectief traag en ongevoelig. Het maakt mij wat ongerust. Ik woon nú al onder het zeeniveau.
Het blauwe zeilbootje heb ik niet meer. Het was een prachtig gesneden houtkunstwerkje met een echt zeiltje. Ik heb het vele malen op het water gezet. Het kwam altijd weer terug. Op een dag, bij een heel harde wind, zeilde het van mij vandaan; te ver en het verdween achter de horizon. Mijn cadeautje van 1 februari 1953 was weg en bleef weg.
Het boek ‘De ramp’ heeft als ‘nalatenschap’ nog een plekje in mijn boekenkast. Af en toe kijk ik erin. Nog steeds met een huivering.
Op 1 februari van elk jaar besef ik, getekend door de indrukken uit mijn prille jeugd, welke tragedie in 1953 een deel van ons volk heeft getroffen. Ik besef ook dat ons gezin en onze familie niet heeft geleden. Wij hebben ook niets verloren.
Als zesjarige zou ik zeggen: ‘en mijn mooie blauwe zeilbootje dan?’
‘Dat vaart nu bij Groenland jongen, en het ziet de gletsjers smelten’


