vrijdag 23 juni 2023

De dassenwippers




Toen ik de leeftijd van zestien jaar bereikte, naar de mening van mijn ouders genoeg lol op school had gemaakt en daartegenover nauwelijks aanwijsbaar resultaten had neergezet, werd voor mij een werkplekje gevonden op de afdeling advertentie-incasso van N.V. Dagblad Het Parool te Amsterdam. De administratieve afdelingen van Het Parool waren gevestigd in het Bungehuis aan de Spuistraat en ik herinner mij die behuizing als oud en troosteloos. Elke ochtend kwam ik met duizenden andere forenzen per trein uit Hilversum, liep het Damrak af en de Spuistraat in.  Met trage tred betrad ik het Bungehuis en daarna de stoffige kantoorruimte op de tweede verdieping. 

Daar zat ik met vijfendertig collega’s opgepropt om deel te nemen aan alle handelingen die voor een juiste registratie van girobetalingen noodzakelijk waren. Om klokslag vijf werd het gebouw weer verlaten; met een wat andere dynamiek dan bij binnenkomst. Als ware er een startschot gegeven, zo verliet iedereen in ren de kantoorruimte en beukte zich de overbevolkte de lift in. Die lift zakte door het collectief overgewicht menigmaal tot onder het beganegrondniveau weg. Dan moest worden gewacht op de ‘bevrijding’ en werden wel drie tot vijf vertrekkende treinen gemist.


Ik had leuke collega’s, waaronder een twintigtal jonge vrouwen die uiteraard niet onopgemerkt bleven. Maar het werken op een grote afdeling had in die tijd een wat vervelende consequentie: er mocht alleen over zaken gepraat worden. Als je deze wetgeving overtrad, werd je venijnig door het strategisch zittend hoofd berispt. ’s Morgens en ’s middags was er een ruim kwartier gereserveerd voor koffie of thee, maar die pauze werd regelmatig verpest omdat het Hoofd, ene Richard T, zelf het hoogste woord wenste te voeren met sterke verhalen. Hoe brengt een mens nog wat werkvreugde in deze stoffige sfeer?


Ik had een -eveneens 16 jarige- maat, Willem, waarmee ik de middagpauze flanerend in het centrum van Amsterdam doorbracht. Van Oude Zijds tot Nieuwedijk, alle stegen, straten en wegen werden nauwgezet verkend. Willem was fijne gozer, die voor die tijd schandelijk progressief was uitgedost met superwijde broekspijpen, bordeelsluipers en zeer lang haar. We ontvingen de knipoogjes op de wallen, doorkruisten de Bijenkorf en slopen langs alle etalages waarin niet-alledaagse spullen ten toon werden gesteld. Al tientallen malen hadden wij voor het venster van de feestwinkel op Nieuwedijk gestaan om ons te verlekkeren aan allerlei zaken waarmee wij wat fleur (toevallig: Willem heette Fleur) in het saaie kantoorleven zouden kunnen brengen. Jeukpoeder, kunstdrollen, suikerklontjes met een spin erin, keuze te over. Het meest attractieve attribuut, tentoongesteld in het midden van de etalage, heeft ons wekenlang aangetrokken. Wij hakten de knoop door. ‘Wij willen twee dassenwippers’. De slonzige oude winkeleigenaar hielp ons met trillende handen om de attributen te bevestigen in onze stropdas en aan ons overhemd. Ze werkten nog beter dan we hadden durven dromen. Zodra de buikspieren langzaam werden gespannen, kwam de das strak en statig omhoog en bleef staan in een stijve hellingshoek vooruit. De gelijkenis hoeft niet nader te worden uitgelegd.


Die middag zaten wij gespannen achter onze bakken met kopiefacturen. Toen Elly, de mooiste aller meiden, opstond voor toiletbezoek en onze positie passeerde, kwamen de twee stropdassen langzaam overeind. 
Bij de enkeling die dit opmerkte, rolden de ogen zowat uit de kassen. Bij een tweede opstand der dassen, was de publiekskring al aanzienlijk groter en weldra was fluisterend de mare ‘moet je Hans en Willem zien’ de afdeling volledig rondgegaan. De dassen herrezen en zakten bij ieder vrouwpassage, behalve bij juffrouw Klaverman, maar die was op weg naar baas Richard. Klaverman was een mannenhaatster op leeftijd en deed haar beklag over het onstichtelijk tafereel. 

Richard brulde van woede, zette ons en publique te kijk en naam ons mee het kantoor uit. ‘Wij zijn even naar personeelszaken’.
Buiten de deur sloeg Richard om als een blad aan de boom. ‘Doe het eens voor’, zei hij met een grijns tot de punt van zijn oren. Langzaam verrezen de twee stropdassen als de erectie van een vrouwtrouwe zeeman na een wereldreis. Bij dit toneel barstten wij uit in een huilend lachen. Baas Richard hervond zichzelf: ‘Zeg alsjeblief niets tegen Juffrouw Klaverman’.


Ik weet niet meer hoe, maar we hebben het gepresteerd: zonder lachen gaan zitten en overgaan tot de orde van de dag’.

dinsdag 30 mei 2023

Soep met ballen

 

 

 

Vroeger, toen deze ‘jongen’ een jongetje was, leerde je op de Lagere School nog over ‘inboorlingen’ en kannibalen (menseneters).

Dat zou nu een leerkracht voor de rechter brengen, maar toen zag ik foto’s en tekeningen van een mannen (meestal een zendelingen) met tropenhelm, in een grote hout gestookte kookpot zitten. Daaromheen dansten de feestende ‘inboorlingen’ in rieten rokjes op het ritme van een tamtam. Een kok, met een mensenbeentje in zijn haar, stond met een grote houten spaan te roeren in ‘iets’ dat een lekker soepje zou moeten worden.

 

Ik moest hieraan terugdenken toen ik dit voorjaar vanuit mijn vakantieverblijf uitkeek (zie foto) op zo’n zelfde enorme hout gestookte kookpan met deksel. Zoiets had ik nog nooit gezien, maar dat zal liggen aan mijn te beperkte kennis van de moderne martelspullen.

 

Het duurde niet lang of vier spiernaakte ‘uitboorlingen’ renden, slingerend met hun vleeswaren, op de pan af. Ze verwijderden het deksel en stapten via het trapje in het kokend nat. Ik dacht: ‘Dit gebeurt niet vrijwillig! Er moet een sluipschutter ergens aanwezig zijn.’

Vier hoofden verschenen net boven de rand van de pot. De kok verscheen niet. Ik miste daardoor de inbreng van zout en een kruidenmengsel. Wellicht brachten de vier met lichaamsvocht, voldoende smaakverbeteraars in de soep.

 

Intussen vroeg ik mij af hoe de soep zou smaken. De dikke Mercedessen van het viertal waren voor mij reden om te concluderen dat er in elk geval genoeg ‘ballen’ in waren; vier heel grote en acht kleintjes. De soep was bijna klaar want de hoofden waren verdwenen en het deksel lag op de pan. Ik overwoog met een diep bord, nieuwsgierig naar buiten te stappen voor een smaaktest. Maar de soep werd niet zo heet gegeten als hij opgediend was.

 

Naast mij weerklonk ineens een stem: ‘Man dit is geen pan, maar een hottub.’ 

Ik werd bruut geïnformeerd over het échte gebruik van dat rokende ding.  Ik vroeg mij daarna af hoe het mogelijk is dat gezonde mensen er zo veel plezier in hebben om zich in een hottub op kooktemperatuur te laten brengen. 

 

De stem: ‘Man, kijk naar je eige. Telkens wanneer je weer in je favoriete Finland bent, zit je met je blote kont in een sauna, ook op kooktemperatuur, om jezelf met een bosje berkentakken rood te meppen. En dat vind je wel geweldig. Wat is het verschil eigenlijk?’.

 

‘Geen soep met ballen’, zei ik. 

woensdag 1 februari 2023

1953, de herinnering van een zesjarige

 


Het is 1 februari 2023 en ik denk terug aan de storm van 1 februari 1953. Het was een nacht die bij mij, jongetje van 6 jaar, onuitwisbare herinneringen heeft achtergelaten.

 

Met mijn ouders werd ik vanuit Hilversum meegenomen naar Amsterdam voor een bezoek aan het echtpaar Vermeulen; kennissen die op driehoog een klein donker appartement bewoonden.

Ik ging bepaald niet voor mijn lol mee, maar al kort na binnenkomst gaf gastheer Theo Vermeulen mij een blauw houten zeilbootje dat hij zelf, speciaal voor mij, had gemaakt. Ik was dolgelukkig met dit attribuut en hield het de uren van de visite overgelukkig en vol bewondering in mijn handen. Toen we later op station Muiderpoort lang moesten wachten op de vertraagde trein (model blokkendoos) naar Hilversum, omklemde ik mijn bootje met alle kracht. Mijn ouders hadden mij in de houdgreep, want er was een razende storm opgestoken die sterk genoeg was om mij ‘mee te nemen’. Het waren heel angstige momenten. Een storm als deze is in mijn geheugen van de 64 jaar daarna, niet meer terug te vinden. Ik herinner mij de momenten nog steeds en tot in elk detail.

 

Die nacht bulderde de wind om onze woning en ik was bang, ondanks de veilige plek in mijn bed op de eerste verdieping van onze woning.  Er ontstond schade in de straat, maar dat betrof ruiten en dakpannen.

Ik kwam is morgens vroeg in mijn pyjamaatje naar beneden en daar zaten mijn ouders bij de radio. Er was iets ergs gebeurd. Hoe of wat, wist ik nog niet, maar de sfeer ademde ontzetting uit. 

 

In die dagen werd mijn broer, die twaalf jaar ouder was dan ik, door de padvinderij opgeroepen om naar Zeeland te gaan om te helpen. Ik huilde, want ik was bang dat hem iets zou overkomen. Ik heb dagen slecht geslapen en huilde opnieuw toe hij thuiskwam; van vreugde.

Mijn broer vertelde van de ellende die hij had gezien en ik zag het verbijsterde gezicht van mijn ouders.

 

Enige tijd later verscheen het boek ‘de Ramp’ bij ons in huis en ik bekeek de vele foto’s. Ze waren gruwelijk; dode mensen, dode dieren, kapotte huizen, roeiboten op watervlakten, reddingshelikopters. Ik heb het bladeren door het boek vele malen huiverend herhaald. Het sneed in mijn zesjarige zieltje.

 

In tv-uitzendingen van de afgelopen weken werd teruggekeken naar de waarschuwingen die destijds tijdig werden gegeven over de zwakte van de Nederlandse kust. Er werd genegeerd, met een afschuwelijk gevolg. Nu, zeventig jaren later, onderken ik de duidelijke veranderingen in ons klimaat. De zeespiegel stijgt snel en ook deze keer zijn we als collectief traag en ongevoelig. Het maakt mij wat ongerust. Ik woon nú al onder het zeeniveau.

 

Het blauwe zeilbootje heb ik niet meer. Het was een prachtig gesneden houtkunstwerkje met een echt zeiltje. Ik heb het vele malen op het water gezet. Het kwam altijd weer terug. Op een dag, bij een heel harde wind, zeilde het van mij vandaan; te ver en het verdween achter de horizon. Mijn cadeautje van 1 februari 1953 was weg en bleef weg. 

 

Het boek ‘De ramp’ heeft als ‘nalatenschap’ nog een plekje in mijn boekenkast. Af en toe kijk ik erin. Nog steeds met een huivering.

 

Op 1 februari van elk jaar besef ik, getekend door de indrukken uit mijn prille jeugd, welke tragedie in 1953 een deel van ons volk heeft getroffen. Ik besef ook dat ons gezin en onze familie niet heeft geleden. Wij hebben ook niets verloren.

Als zesjarige zou ik zeggen: ‘en mijn mooie blauwe zeilbootje dan?’

 

Dat vaart nu bij Groenland jongen, en het ziet de gletsjers smelten’