maandag 9 augustus 2021

Van Gend en Loos paarden

 

 

Ik zette vanmiddag (6 augustus 2021) mijn TV aan en zag hoe tijdens de Olympische spelen in Tokyo, de landenploegen van springruiters streden om een plaats in de finale. Dat gebeurde in  een tropische hitte. Ik had met de dieren te doen. 

 

Hippische sporten vormen de enige Olympische onderdelen waarvoor dieren worden gedresseerd. Onze mannen in deftige oranje jasjes, joegen hun dieren in de zinderende hitte zo snel en zo goed mogelijk over de barricaden. Sommige paarden trokken het niet meer. Er gingen nogal wat hindernissen door hun toedoen naar de Filistijnen. Ruiters en paarden gingen languit en beten in het stof. Die eersten gunde ik dat van harte; de paarden vond ik heel zielig. 

De oranje jasjes kan je stomen; de paarden niet.

 

Ik was nog heel jong toen ik zelf al een paard kreeg. Ik werd erop gezet en vastgehouden. Al snel mocht ik ‘los’ rijden. Ik had het ook razendsnel onder de knie. Ik bewoog mij op hoge snelheid in rondjes door de huispiste. Mij werd op dat moment een grote toekomst in de paardensport voorspeld; het CHIO in Rotterdam, bij voorbeeld.

Teleurstellend was echter het feit dat mijn eerste paard voor elke stoel, tafel of ander meubelstuk resoluut weigerde te springen en zelfs hindernissen bruut omgooide. 

 

Ik kreeg vandaag een paardenflashback. Terug naar het prille begin van de jaren vijftig.  Ik bekeek destijds de edele viervoeters met interesse, maar wel op gepaste afstand. De paarden van de groenteman, de schillenboer, de olieman en de putjesschepper parkeerden hun wagens voor de woningen van de klanten in de  Planetenstraat (Hilversum).  

Met verbazing zag ik hoe ze hun ‘benzine’ weg lieten lopen en eieren legden. Sommige paarden hadden een vijfde been. Dat riep vragen op. Mijn ouders wilden de functie niet uitleggen. De schillenboer deed dat wel: ‘die hangt er voor lul bij’.

 

Op een dag sloeg het paard Gijs, van de schillenboer, op hol. Hier dier had schuim op de lippen en stond hinnikend op de achterbenen. Ik liep de honderd meter in ‘10,6’. Dit was de oorsprong van mijn paardenfobie. Die is nooit meer genezen. 

 

We leven anno 2021. Het is een tijd waarin per dag meerdere zwart rokende dieseltjes voorrijden om tot de, in de vorige avond tot 23 uur bij Bol.com, Amazon of Cool Blue bestelde goederen, de volgende dag al af te leveren. Haast! Haast!

We jachten en jagen deze nieuwe paardenkrachten over onze wegen. We vinden winkels te ver of te duur. Geduld bestaat niet meer. En het ergste: ik doe er zelf net zo hard mee.

 

Ik behoor nog tot de generatie van direct na de oorlog. In mijn nostalgische bui bedenk ik mij hoe bestelboekje van de Gruyter maandag werd opgehaald.  De bestelling kwam vrijdag,  bezorgd op een transport- of bakfiets. Als je al een ander pakje bezorgd kreeg, dan was dat met de post of, als het groter was, met van Gend en Loos, een verlengstuk van de spoorwegmaatschappij.

 

Ik denk met weemoed terug aan de prachtige Belgische knollen die voor, met een puntzijl afgedekte wagens, de straat in sjokten om bij winkels of (soms) particulieren goederen af bezorgen. Die zendingen waren via die Nederlandse Spoorwegen al een week onderweg. Er straalde een weldadige rust van uit. Van Gend en Loos paarden sloegen zelden op hol. Je mocht het paard een klontje geven of een wortel. Er hing een zak met geplette haver om de nek. Dat was alle brandstof voor dit vervoer. Geen ongelukken en geen panne. Minimale kosten.

 

In 1957 stuurde van Gend en Loos 400 paarden, een wereld-erfgoed, zonder pardon naar het slachthuis. Er werd een tijdperk afgesloten. Via slachten naar jachten en jagen. En nu worden er arme paarden met dat ‘jachten en jagen’ in Tokyo letterlijk over de kling gejaagd; als springvee, als draafvee of als danspassenmakers op muziek. 

Dit ziende, denk ik verlangend terug aan die rustige, goed verzorgde knollen van van Gend en Loos.

 

Ik zou absoluut voor een revival van het Van Gend en Loos paard kunnen zijn. De mooiste Belgische knollen ingespannen, een kar met kap van zeil en daarachter de mannen met dat keurig oranje jasje op de bok. Dan zijn die ook nu eens nuttig! 

 

Het is een flash-back, gevolg door een idee. ‘Maandag bestellen, vrijdag bezorgen’.

KNOL.com

vrijdag 5 februari 2021

De koffiemolen



Weet je waar ik een verschrikkelijke, ontstellende, bloedstollende pesthekel aan heb? 

Dat is het openen van zo’n potdicht vacuümpak met gemalen koffie. Wat een ellende!


Op je tenen staan van voorzichtigheid, knippen in de kop van het stijve vacuümpak, even laten sissen en dan proberen de inhoud in een vierkante bus te gieten; zonder geknoei van die rot korreltjes op het aanrechtblad.

Ik snap die Nederlandse producenten niet want elders, bij voorbeeld in Noordelijke landen, levert men koffie in pakken waarvan je in de kop de gesealde stroken losjes van elkaar trekt en die bruine massa moeiteloos de bus in giet.

Douwe uit Joure doet aan consument pesten, al is het er maar één.

Meneer Egberts is bij mij Douwe Ergerberts; en je moet nog voorzichtig zijn dat je niet in het waardebonnetje knipt, want drieduizend van die dingen, kan je inwisselen voor een lullig cadeau. 


Ik heb eigenlijk al vanaf mijn kleutertijd een hekel gehad aan de voorbereidingsprocessen rond koffie.

Ik kreeg al jong een vierkante bak met een zwengel op schoot; ik moest draaien. ‘Hij kan al koffie malen’ zei moeder dan trots.

Nou, die hield ze erin. Als ik lekker zat te spelen riep ze enthousiast ’Hansje kom je koffie malen. Dan krijg jij (met de klemtoon op jij) een koekje. Ik kon ook wel  chocolademelk krijgen, maar dat vond ik niet te hachelen.

Enkele jaren daarna leerde ze mij de rest van het koffie zetten.


In een soort kokertje met gaatjes  onderin, staand op een potje, moest ik een rondje papiertje leggen. Zes lepels koffie erin, goed aanstampen met een houten koffiestamper, beetje zout erop en koffiestroop van Buisman. ‘Hans kan zo lekker koffie zetten’; net alsof dat vrijwillig gebeurde.

Ik had wel affiniteit met die houten stamper. De kartonnen reiskoffers waren mijn grote trom en ooit sloeg ik er een volledig te barsten.


Later kwam er een elektrische  koffiemolen op de markt. En Melitta-filters die zo lekker snel doorliepen. 

Ik begon koffie te drinken, van die koffie met melk , waarop grote dikke vellen verschenen. Achteraf bezien: ook niet te hachelen.


Nu ben ik gehecht aan zwarte koffie ‘met niets’. Bekers vol; uit een koffiezetter met thermoskan.

Ik moet de koffie nog steeds zelf maken, want ik ben altijd ruim als eerste uit bed. 

Ik ben een echte koffiefan geworden en drink  morgens altijd twee grote bekers..

Jammer van die harde pakken van Ergerberts.


Talloze malen heb ik mij ook al afgezet tegen die stomme senseo-zakjes van Frits Philips en de  kuipjes van Nespresso.

Die zijn helemaal niet te hachelen. Die zet je een fatsoenlijke koffiedrinker niet voor.

 

Als mijn moeder nog zou leven, zou ze mij nog steeds prijzen om  mijn lekkere koffie.


Ik heb er alleen een vacuüm ochtendhumeur bij.