zaterdag 28 september 2019

Iets achter de hand houden

Een jaar of dertig geleden reed ik dagelijks op de fiets vanuit Castricum naar mijn werkgever, het Medisch Centrum Alkmaar. Bij slecht weer vluchtte ik naar de bus en steevast ontmoette ik bij de bushalte Bert Geekel, een staffunctionaris die deze busreis dagelijks maakte.
Bert Geekel was bijna vijfenzestig, vond zichzelf heel voornaam en sprak geaffecteerd.  Hij liep niet, maar schreed. Negen van de tien keer nam hij in de bus naast mij plaats; of ik wilde of niet. Dat was op zich niet erg, maar Geekel had de hinderlijke gewoonte om op dat moment  zijn verbaal volume op ‘max’ te draaien. Zo luisterden alle passagiers zijn bekakte verhalen onverkort mee.
Toen hij vertelde dat hij op bijzondere vakantie ging naar Polen en Duitsland, dreunde hij luidruchtig de lijst van te bezoeken concentratiekampen op. Toen ik daarop even luid, maar zonder kak, repliceerde met ‘dat wordt een vrolijke reis Bert’, hoorde ik duidelijk het gegrinnik vanuit  alle hoeken.
Geekel ging wekelijks naar de sauna; een groot regionaal instituut  waar men gemengd (man/vrouw) van de warme geseling genoot. Ik beging de stommiteit om het onderwerp in de bus aan te snijden. ‘Vanavond weer’ brulde Geekel voornaam.  Er volgde een gedetailleerde beschrijving van de dames uit de sauna. Het werd mij wat precair.
‘Hans, ik weet uit ervaring van iedereen,  zelfs als ze aangekleed zijn, hoe ze er bloot uitzien’. De medereizigers spitsten de oren. Ik dacht aan uitstappen. ‘En in de sauna kijk ik ze recht in hun kut’, riep Geekel; het drieletterig woord uiterst bekakt (bijna als ‘kat’) uitsprekend. Het is ‘op mijn woord van eer’ waar gebeurd. Ik wist me geen raad. Dit was het schoolvoorbeeld van de ‘vieze man’. Ik heb hierna Geekel in de bus zoveel mogelijk gemeden door als laatste in te stappen.
Ik moest er na al die jaren aan denken toen ik vorige week in de krant las, dat meer en meer sauna’s hun gasten verplichten om in badpak gekleed het ‘hete hok’ in de gaan. De vraag uit de markt geeft daar aanleiding toe. Of zijn er soms te veel Geekels?
De sauna is in Finland een bad, waarin je je lichaam reinigt; thuis of in een zwembad. Eerst een douche, dan de sauna, dan de douche en dan pas zwemmen. Zo clean als het maar kan. Als je kleding aan hebt, wordt je er vierkant uitgeschopt.  Gekleed in de sauna gaan, is namelijk super onhygiënisch en ik vraag mij af wat al die gekke Nederlanders bezielt.
Geekel is inmiddels waarschijnlijk tot de vaderen vergaderd en als hij toch nog ergens tussen hemel en aarde zweeft en aan de sauna terugdenkt, gun hem de lol van de herinnering aan jouw uh………ach je-weet-wel.
Een sauna ga je niet gekleed in. Ben je in deze tijden preuts en bang dat er  nog Geekels rondlopen die recht in  je genitaliën willen kijken, houd deze zaakjes dan achter de hand.

vrijdag 16 augustus 2019

De slimste mens




Ik ben een trouwe fan van het televisieprogramma ‘de slimste mens’. Na het nieuws van acht uur ‘s avonds pak ik snel de afstandbediening voor een druk op knop nummer 2; precies op tijd om Maarten van Rossem, het enige jurylid van het programma en zittend in een strakke fauteuil, nors voor zich uit te zien kijken.
Misschien moet ik wel zeggen: ‘ik ben een trouwe fan van Maarten van Rossem’. Met een fijne neus voor onbenul, drukt hij op een baliebelletje om in te grijpen bij stompzinnigheid. Dat gebeurt zonder tact en terughoudenheid. Baf, recht voor zijn raap en ik vind dat dit in 95% van de gevallen terecht.

Maar we hebben het toch over het programma ‘de slimste mens’? Ja, maar de tijd dat daar de slimste mensen zaten is passé. Er is haast geen slimme mens meer die zich wil lenen voor reageren op vragen die alleen te  beantwoorden zijn als je de TV of Bioscoop frequenteert.
Als een kandidaat op het niveau van ‘goede tijden slechte tijden’ de vragen als een salvo goed beantwoordt, slaat Maarten zijn hand beurs op de bel en beschimpt de opsteller van de vragen en de persoon die zich leent voor het kennen van dit soort onbenulligheden. Ik vind het prachtig.
Ook gebeurt het omgekeerde: als zelfs op dit soort vragen kandidaten het antwoord schuldig blijven, klinkt opgewekt gebel en dan complimenteert onze brombeer de kandidaten.

De start van de serie van dit jaar was voor mij wat moeizaam. Er zat een onuitstaanbare en verwaande Kees die, dankzij de zwakke tegenstand, zeven uitzendingen mocht blijven. Wat een ergernis. Zeven keer hopen dat Kees zou sneuvelen, kostte mij veel energie.
Zelfs de kanonnades van Maarten boden geen soelaas.

Het absoute hoogtepunt van de serie van dit jaar was gisteren. De vraag was ‘noem de drie buurlanden van Finland’. Niemand kon dit vraagstuk oplossen. Naast de juiste landen (Zweden en Noorwegen), noemden de kandidaten in plaats van Rusland: IJsland en Groenland. Moet je nagaan: twee eilanden heel ver van Finland in de Oceaan!
Maarten maakte werk van zijn gebel. Hij brieste als een zeeleeuw. Dit waren antwoorden die niet onderdeden voor die van de toeristen die in de zestiger jaren op de landkaard van Frits Bom,  Barcelona als verblijfplaats aanwezen als dit het Gardameer moest zijn.
‘Dit is nu het gevolg van het feit dat aardrijkskunde is verdwenen van het pretpakket op onze scholen. Dit is het onbenul ten top’. Maarten was ontzet. De kandidaten glimlachten wat verlegen.

Mijn vaste lezers herinneren zich ongetwijfeld dat ik eenzelfde geluid liet horen over de Nederlanders die geen Duits meer leerden en als idioten staan te brallen op terrassen in Tirol.

Soms, als ik verbaal gas geef, zegt men wel eens ‘je lijkt van Rossem wel’.
Ik vind dat een compliment.


Ik zal op mijn navigatiesysteem geen Groenland intoetsen als ik naar Finland wil.

dinsdag 30 juli 2019

Het Wilhelmus, de tekst.




Vandaag, tijdens het douchen, dacht ik ineens aan het Wilhelmus. Hoewel ik mede als zanger door het leven ben gegaan, zong en zing ik zelden onder die warme waterbron. En áls ik dan eens een keertje badend zing, dan staat het Wilhelmus beslist niet in mijn repertoire. Ik kwam nu, al spetterend, op ons volkslied omdat ik terugdacht aan de fans van Max Verstappen, die na zijn winst in Hockenheim spontaan het Wilhelmus inzetten.

Een volkslied omvat muziek en zang die het goede en mooie van een land aan de orde stellen. Het kan de inwoners van een land, in nationalistische en emotionele, verenigen. Ik ken dat gevoel niet voor mijzelf; ik houd niet van nationalisme. Toch moet ik wel bekennen dat er momenten zijn dat ik van de combinatie Nederland en gouden medaille, een vorm van ‘brokwerking’ in de keel ervaar.

Het Wilhelmus is het oudste volkslied ter wereld. Dat hoeft je niet te verbazen. Waar andere landen in hun volkslied het goede en mooie van het land verwerken, gooien wij er vergane glorie van Oranje en hulde aan vreemde mogelijkheden in. Verheerlijking van de vroegere vijand! We denken niet na bij wat we zingen. Het is gewoon oude lariekoek.

Ik zie onze sporthelden blij staan met een gouden medaille; ontroerd door ons volkslied en verlegen mee prevelend. Ik zie de vertegenwoordigende elftallen voor interlands bijna verplicht meezingen; en zondag was er dan die de aubade voor Max. Prachtig. Het raakt ons gevoel; als je de tekst maar niet op de weegschaal legt.

Stel je nu in gedachten voor dat ik even voor je ga zingen. Ik geef daarbij hardop mijn gevoel over de tekst.

’Wilhelmus van Nassouwe, ben ik’.
Direct: dit lied is niet voor mij, want ik ben Johannes, geboren te Hilversum. Verspilde energie.

‘Van Duitsen bloed’.
Of je hier in mijn douchecel een emmer koud water over mij heen gooit. Ik ben tegenwoordig zeer op onze Oosterburen gesteld, maar hun bloed mogen ze houden. En dan moet je bededenken dat een tribune vol Nederlanders op ‘Duitsen’ bodem over hun ‘Duitsen bloed’ naar Max staat te zingen. Dan moet je blij zijn dat het volgend jaar in Zandvoort gebeurt.

‘Den vaderland getrouwe ben ik tot in den doet’.
Dat wordt er op de Lagere school al ingestampt. Ik weet dat in het ouder Nederlands 'doet' dood betekend, maar (hoe toepasselijk) zeg ik tegen deze mate van getrouwheid:’over mijn lijck'.

‘Een Prinse van Oranje, ben ik’.
 Jereinste flauwekul. Ik ben een eenvoudige sul. Ik ben niet van plan mijzelf groter te maken dan ik ben. Verder dan Prins carnaval heb ik het niet geschopt.

‘Vrij onverveerd’,
Meer dan 63% van de bevolking ziet dit als een enge ziekte van vogels! Weg ermee!

En dan de uitsmijter: ‘De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd”.
Hebben jullie voorvaderen daarvoor in de tachtigjarige oorlog gevochten?’
Hoeveel steden zijn hier namens deze vorst belegerd en/of platgebrand.

Ik steek de draak ermee, maar we staan heel serieus met zijn allen, zonder na te denken, onzin uit het verre verleden te zingen. En nog met een brok in de keel ook.
Ik weet dat oerconservatieven, mensen met een sterke geloofsovertuiging, polici die al een lintje ontvingen etc, mij deze column euvel zullen duiden. Ik respecteer hun mening,  behalve als ze vinden  dat het lied met alle wartaal verplichte leerstof moet worden.

Wat hebben wij heel veel positieve elementen in ons land! Ze lenen zich voor de tekst van een pakkend modern volkslied:prachtige natuur, tolerantie, geluk, welvaart, waterwerken en cultuur! Ik ben daar trots op. Voor de liefhebbers mag er gerust ook een vleug oranje in en het koninkrijk erbij. Desnoods kan de melodie van het het lied van nu worden gebruikt.

Dit is een hartstochtelijke oproep om het rare Wilhelmus af te danken en er iets moois en inhoudelijks voor in de plaats te stellen.

Ik beloof jullie dat ik het, als eerste, onder de douche zal zingen.

woensdag 17 juli 2019

Een drollenvanger




Tijdens de eerste uitzending van ‘De slimste mens’ in de zomer van 2019, werd de vraag gesteld: ‘wat is een drollenvanger’. Tot mijn schrik keken degenen die geacht werden een antwoord te geven, alsof ze water zagen branden. Dat was nu juist niet aan de orde. 

Ik verkeerde in de veronderstelling dat ook bij generaties na de mijne, het begrip ‘drollenvanger’ alom bekend zou zijn en ook gevoelens van afkeer zou oproepen.
Het is nu van belang om even stil te staan bij de wetenschappelijke benadering van het fenomeen. Ik vond deze na enig zoekwerk terug op de Etymologiesite. 


‘Drollenvanger. Een soort broek. Dit was de engelse plus-four, ook wel golfbroek genoemd. Dit kledingstuk was populair omstreeks 1930+. De broek werd door middel van een gespje onder de knie dichtgemaakt, waardoor de broek de indruk gaf een soort zak te zijn. Het was dus theoretisch mogelijk voor de drager zonder op te vallen zijn behoefte te doen. Het is waarschijnlijk niet na te gaan waar de naam drollenvanger voor het eerst zijn intrede gedaan heeft.’

Ik herinner mij nog goed hoe mijn oudere broer klaagde dat hij door mijn ouders, kort na de oorlog, in een drollenvanger naar het gymnasium werd gestuurd. ‘Als je het niet goed vindt, dan ga je maar in je blote kont’. Dit hadden zij niet moeten doen. Hij werd ondraaglijk gepest en heeft zijn best gedaan om te zorgen voor zoveel mogelijk vlekken en scheuren. Er volgde een nieuwe ‘bevrijdingsdag’ en een levenslange pijnlijke herinnering.

Een nieuwe poging volgde binnen mijn garderobe. Ook op de lagere school waren de jongens in drollenvanger een triest pestobject. Ik produceerde thuis maximaal krijgsgehuil, ik overwon, maar werd daarna -zelfs in wintertijd- in korte broek de straat op gestuurd. Alles beter dan een drollenvanger.

In de loop der jaren ben ik niet milder geworden. Ik begrijp dat de het heel praktisch is dat je, als je in de bergen loopt, in de natuur of op een heel groot golfcomplex, bij plotselinge grote behoefte een drollenvanger aan hebt. Maar ik blijf van mening dat dit kledingstuk met geruite kousen alleen wordt gedragen door bepaalde ‘kaklui’.


In ieder geval zou ik in ‘de slimste mens’ de show hebben gestolen met het juiste antwoord op de vraag. Lang leve de nostalgie.

maandag 18 maart 2019

Het eitje van Egel

Al jarenlang bewonder ik schoolgaande jeugd die de afstand van dorp naar de school in de stad, door weer en wind op de fiets aflegt. Ineens zie ik ook nieuw fenomeen: de brommobiel. Als ik met de auto op de weg naar de stad rijd, kom ik tegenwoordig regelmatig jonge rijders in zo’n ding tegen; bepaald niet de doelgroep. Het is het het toppunt van luxe voor blagen.

Ik herinner mij dat ik hetzelfde gevoel had over mijn mede-scholieren van de HBS in Hilversum, die begin jaren ’60 op bromfietsen naar school kwamen. Bijna alle leerlingen kwamen op de ‘gewone’ fietsen. Alleen met een speciale toestemming van Directeur Arie van Dop, mocht je een bromfiets bij school stallen. De rijders waren bevoorrechten; dikwijls uit Laren en Blaricum. Daar hadden de papa’s een dikkere portemonnee en ook de afstand tot school gaf enige rechtvaardiging. Voor ons fietsers waren het ‘kakkers’.

De veel verkochte Solex, een brommer voor ‘Willempies’ ,zag je nauwelijks op school. Daarmee zou je toen het middelpunt van spot zijn geweest.
Nee, het meeste aanzien had je met een Puch. De kakkers kochten er een ‘hoog stuur’ bij en reden met de handen in de lucht. ‘Meer motor’ waren de brommers van Kreidler. Die waren voor ‘vetkuiven’
Als je Puchmannen na wilde doen, maar de portemonnee had net niet genoeg Puchgeld, dan kocht je een Thomos; ook met een hoog stuur. Dat was toen net zo erg als nu nepnieuws.

IK was blij met de drie versnellingen van mijn Phoenix fiets. Op weg naar huis moest ik altijd ‘een col’ van de tweede categorie bedwingen. Regelmatig reed ‘Egel’ gelijk met mij op. ‘Egel’ was de bijnaam van Rob Egels. Het was een alleraardigste klasgenoot met een klein postuur.
Op een regenachtige dag reed ik naast Egel op zijn rammelde oude fiets naar huis, toen Jan Peter uit Blaricum, met vanaf het achterwiel opspattend water, ons in noodvaart voorbij stoof. Er kon niet eens een groet af.
‘Als ik wil, dan scheur ik hem zo voorbij’,  sprak Egel rustig. Velen op de HBS wisten het: ‘Egel heeft een eitje’.
Ik meende gerust te kunnen constateren: ‘je lult, Egel’.

Egel nodigde mij uit voor een ritje op zijn ‘eitje’. Het vond drie dagen later plaats op de Vaartweg in Hilversum. Daar is ook een helling van de tweede categorie. Het ‘eitje’, een Berini met een rijsysteem als van een solex en een eivormig benzinetankje op het voorwiel, maakt van een gewone zwarte opafiets een snelheidsmonster. Het eitje produceerde ook een bijbehorend geluid.

Egel reed weg en flitste een paar keer langs. ’61’, zei Egel, wijzend op het kleine snelheidsklokje. Ik durfde het niet te vragen, maar hij bood het zelf aan. ‘Het’ gebeurde op de Vaartweg; de helling af. Bij ’58’ kon het wel, maar ik durfde niet harder. Het was hard genoeg om met deze ‘opafiets’ een voor mij rijdende Puch te passeren. Het ging zo hard dat ik mij niet in triomf durfde om te draaien en minzaam te glimlachen. De ‘eeuwige’ herinnering aan deze ‘overwinning’ maakt alles goed. Wat motorisering betreft geeft het eitje van Egel voor mij nog steeds een van de leukste nostalgische herinneringen.

Dat gaat je met een brommobiel over vijftig jaar niet lukken. Het zijn écht niet de Puchs van 2019, maar wel de ‘Solexen onder de autootjes’; praktisch maar de lulligheid ten top. Ze zijn goed voor ouderen (na 13 keer gezakt te zijn voor het rijexamen) en ook goed voor eeuwige scholierschaamte.

Mijn advies voor hen: Pluk de dag en tik een eitje!

dinsdag 26 februari 2019

Historische kwelspelen

We hebben recent in de krant kunnen lezen dat met Pinksteren op Schiermonnikoog ‘Kallemooi’ wordt gevierd. Het is een soort mei-feest rond een hoge mast waarin een voorjaarstak wordt opgehangen.
Het is traditie dat op Pinkster-zaterdag een jongeling uit het dorp ergens een haan steelt. Het dier wordt rond middernacht in een mand plechtig naar de top van de mast gehesen. De dorpsgemeenschap bestormt de café’s om uitgebreid ‘Kallemooi’ te vieren. Na afloop van het feest, op Pinksterdrie ’s avonds, wordt de haan in een optocht teruggebracht naar de rechtmatige eigenaar. De toestand waarin? Daar kraait geen haan naar; al wordt naar voren gebracht dat het beestje goed werd verzorgd.

Om eerlijk te zijn: ik vind het wel wat hebben, die oude tradities. We hebben er nog zo weinig meer. Doorgaan dus, al stel ik voor dat de jongeling een chocoladehaan bij de bakker steelt en die in de mand laat ophijsen. Dan kan je hem na afloop met z’n allen opeten.

Laatst vertelde ik een kennis (generatie jonger dan ik) van het feit dat in de 50er jaren op de kermis een tent stond waar je voor publiek met een beer kon vechten. De beer deelde menig rake oplawaai uit. Pas nadat ik foto’s toonde, werd ik geloofd.

Ik kom met mijn bovenstaande opmerking over tradities wel voor een dilemma te staan. De tradities bestaan in te veel gevallen uit ‘kwelspelen’. Het waren populaire volksvermaken op jaarmarkten en kermissen; in alle gevallen nu door ons beschouwd als dierenmishandeling.
Ik heb Wikipedia geraadpleegd voor een compleet overzicht. Bij het lezen weet ik mij geen houding te geven. Het varieert van afschuw en ontzetting ,tot een voorzichtige lach. Dat laatste met het idee van ’hoe komt de mens zo gek’.

Ik noem uit de Wikipedia-bron een paar van die kwelspelen: ganstrekken, palingtrekken, hanen bekogelen, katknuppelen (wordt nog steeds gedaan, maar kat is vervangen door hout), katbranden, stierenvechten, vossen jagen (om dit weer te mogen doen, willen de Engelsen uit de EU), duiven schieten (nu van klei), vossenwerpen, dierenduels (hanen, kempvissen), sportvissen, rodeo, dansende apen in livrei enzovoort.

Ik sluit mijn ‘reis’ door kwelspel-land met een laatste voorbeeld van dichtbij huis af. In het Friese Rinsumageest deed men vroeger aan hûnewippen. Een hûn is een hond in het Fries.
Voordat de niet-friezen daar verkeerde ideeën bij hebben: het gaat bij hûnewippen om ‘hond gooien’. Met een grote bijna-kattenpult schoot men honden in de lucht. Een afschuwelijk lot voor de huisvrienden. De inwoners van Rinsumageest worden daarom, jaren nadat een einde is gekomen aan het misfdadig ‘honden gooien’, nog steeds hûnewippers genoemd.

De traditionele kweltijden zijn voorbij en wie zich er nu toch nog aan waagt, weet zich verzekerd van de toorn van moeder MarianneThieme. Met Pinkster is zij bij ‘Kallemooi’ op Schiermonnikoog. Zij weet nog niet dat daar een chocoladehaan wordt opgehesen.

zaterdag 23 februari 2019

Weet je het nog: een Goggomobiel?




Het gebeurde op een zaterdagmiddag in het voorjaar van 1955. We waren net druk met een spelletje boompjewisselen, toen en een heel kleine, uit zijn krachten gegroeide, dinky toy de straat in kwam rijden. Het autootje stopte voor het huis van de familie Hofer. De twee flinke, statige 60plussers wrongen zich door de kleine deurtjes naar buiten en bleven nog even glunderend staan om hun nieuwe crèmekleurige aanwinst te bekijken.

Wij hadden uiteraard ons bomenspel direct beëindigd en staarden met open mond naar het schouwspel. ‘Haha, ze denken dat het een auto is!!”
Toen de trotse bezitters in huis waren, slopen wij op het dingetje af. ‘Het is een godvermobiel’, zei Jaap, een van de buurkinderen. Nee, er staat ‘Goggomobiel’ op de voorklep, zei de brave Ineke van daarnaast. Mijn ouders hadden mij, hoewel niet uit geloofsovertuiging, nadrukkelijk verboden te vloeken. Het enigszins verbasteren van een automerk viel hier, naar mijn mening, niet onder. Ik besloot dat het een ‘godvermobiel’ was en dat ook zou blijven.

Uiteraard was de godvermobiel ook het onderwerp gesprek bij de volwassenen. Onze  benaming werd door velen overgenomen.
‘Wie ter wereld maakt er nu zo’n auto?’
Ik kan jullie dat nu, na een uitstapje internet, vertellen.

In het begin van de achttiende eeuw startte ene Marcus Glas met veel succes in Pilsting (Duitsland)een reparatiewerkplaats voor landbouwwerktuigen. Andreas, zijn zoon, zette de zaak voort in nabijgelegen Dingolfing en zette ook zware stoomlandbouwmachines op het reparatierepertoire. Ik heb geen idee wat daar al stomend passeerde.
Hans Glas, een volgende Telg, was ambitieuzer: ‘ik ga auto’s maken’. Hij maakte het nog waar ook.
Een ter zake deskundige had hem daarbij aangeraden om klein te beginnen. Hans dacht dat hij de auto’s bedoelde. Zo is het gekomen.

De eerste Goggomobiel zag in 1955 het levenslicht; een autootje van 125 x 290 x 131 centimeter. Het had een 250 cc motortje en had een topsnelheid van 80 kilometer per uur. Het kostte f. 3495; alsof je een emmertje leeg gooit.

Vraag me niet hoe het kan, maar de heer Hofer moet een van de eerste exemplaren hebben gekocht. ‘Misschien wel met hulp van vriendjes in Duitsland’. Dat kon niet worden bewezen.

De heer en mevrouw Hofer reden enkele jaren zielsgelukkig met het pruttelbakje in het rond.
Wij wenden aan het idee, maar het bleef stug een klein k-autootje en een godvermobiel.
‘Waarom hebben ze geen kinderen’ vroeg Jaap aan zijn ouders. Schaterend had zijn vader geroepen ‘de achterbank is te klein voor de liefde’. I kan mij daar nu wat bij voorstellen.

In 1969 was de godvermobiel ineens uit ons straatbeeld verdwenen. Hofer liep een beetje mank en zijn vrouw was een weekje logeren bij familie in Duitsland. Een roddelcircuit kwam op gang.De dameskapper van de hoek wist het: ‘Tegen een boom. Ze hebben het dak op moeten rollen als een sardineblikje. Zo zijn ze eruit gehaald.’ Die permanentinzetter had altijd de vreemdste roddelverhalen en de inhoud van deze werd ook nooit bewezen.

In 1969 rolde ook de laatste Goggomobiel van de band. Er zijn er 214313 gemaakt. Hans Glas verkocht zijn toko aan BMW. Die gebruikten technieken om een eigen monster te maken; de Isetta. Ook daar viel na een ongeval niet meer uit te komen. Eén grote openslaande deur aan de voorkant! De twee inzittenden maakten met deze bouw, zonder twijfel onderdeel deel uit van de kreukelzone. Twee vliegen in één klap.

Jammer je ziet ze niet meer: goggootjes tussen onze welvaartskarren. Ik zou er toch zo graag nog een willen tegenkomen. Ik ‘mag’ nog steeds niet vloeken, maar het is dé gelegenheid om nog een keer te roepen: Kijk, kijk, een godvermobiel!!!!!

De Injectiespuit


Vroeger waren de injecties nog échte injecties en niet van die lullige prikjes als tegenwoordig.
Ik zie ze nog voor mij, die grote glazen spuiten met van die dikke naalden, waardoor lekker veel vloeistof in één keer de lichaam ingejensd werd.
Die spuitdingen werden na elke injectieronde gesteriliseerd en met elke nieuwe prik werd de hergebruikte naald botter. Het was effectief voor de zuster, maar de schrik van elk schoolkind.

Op de Marnixschool voor Lager Onderwijs ging de mare al dagen tevoren door de school: we worden weer ingeënt. Ik weet echt niet meer voor wat we allemaal in prik in arm of kontje kregen, maar één priksoort herinner ik mij als de dag van gisteren: de Difterieprik.
Difterie, ook wel kroep genoemd, was een levensgevaarlijke bacteriële infectie; via o.a. hoesten doorgegeven aan ieder inademend persoon.
Nuttig dus, maar de spuit was groot en de naald dik. De entvloeistof werd ter plaatse in de spuit opgezogen. Het woord privacy was nog niet uitgevonden. Een prik in het zitvlees kreeg je ‘en publique’.

Op een dag, ik zat toen in de zesde klas, was het al weer duidelijk: wij krijgen weer ‘difterie’. We bedoelden dan ‘de prik’.
Twee verpleegsters met witte schorten en harde kapjes op, moesten hun beulswerk verrichten in de vergaderkamer van het schoolhoofd.
We moesten in de rij staan voor de deur van die kamer; de kreetjes van slachtoffers waren hoorbaar.
‘Ha, ha, jij krijgt die botte naald’ pestte een klasgenoot mij.
‘Arm van je trui omhoog’ bitste de verpleegheks.
Een grote klodder bruine jodium werd op mijn arm neergekwakt. Ik herinner mij ‘de doodsteek’ en dat ik daarna weer wakker werd, liggend op de grond direct naast mede-slachtoffer Rob Scheffer.
We waren ‘onder zeil’ en dat was iets om je voor te schamen. Terugkijkend, vind ik het beslist een vorm van kindermishandeling.

Ik ben nog jaren bang geweest voor prikken; niet zozeer meer om de pijntjes maar wel omdat ik voor geen prijs de afgang van flauwvallen weer wilde beleven.

Tegenwoordig is alles disposable. De prikken voel je nauwelijks meer, want de spuiten zijn voor eenmalig gebruik, al gevuld met het vergif, en de naaldjes vlijmscherp.
De medemens is al zo assertief geworden dat verkeerd prikken niet meer wordt geaccepteerd.

Bijna alle hulp- en verbandmiddelen zijn op dit moment disposable. Alleen instrumenten worden nog gesteriliseerd. De ziekenhuismagazijnen puilen er van uit. Waar vroeger twee mannen een heel ziekenhuis bevoorraadden zijn het er nu tien of meer.
Als je vroeger een nieuwe heup kreeg aangemeten, was je een half jaar uit de roulatie. Nu ga je de dag van de operatie of die erna al weer met een kruk naar huis. Wat is het in deze tijd veel beter!

Maar hoe scherp ook de naald en hoe goed ook huidige de prikgever is, velen zetten zich op het ‘moment x’ nog even met gemengde gevoelens schrap voor het komende prikje.

Rob Scheffer en ik vinden jullie daarom ‘watjes’. In onze jeugd overleefden wij nog ‘botte spuiten , zo groot als een emmer’.

De wasstamper



Vroeger, toen de wasjes nog wassen waren, was de maandag wasdag. Vraag me niet waarom die wasdag voor de was was, maar het was zo.
Ik herinner het mij uit het eind van de veertiger en begin van de vijftiger jaren. Alles ‘op de hand’. Je had kleine wasjes en grote wasjes. Voor mij als kind, was dat één pot nat.

De ‘pot nat’ ontstond uit water dat in een grote pan op de gasvlam kokend heet werd gemaakt. Daarna werd de inhoud in een teil met koud water en zeep gegoten. Dat was dan ‘een lekker warm sopje’. De teil werd op een tafeltje gezet en een geribbeld wasbord stond erin.

Moeder deed haar oudste schort voor en nam een boender in de hand. Stuk voor stuk belandden de wasdelen op het ribbeltjesbord om daar schoon geschrobd te worden.
Daarna gingen de lappen, onderbroeken, lakens, sokken en ouderwetse zakdoeken door de wringer. Dat was een soort pastamachine voor was. De was werd door het apparaat gedraaid en een behoorlijke hoeveelheid water werd uit de doeken gedaan.

Ik werd bij de wringer geroepen. ‘Werk aan de winkel’. Met zo’n doek of laken tussen de rollen was dat voor een kind nauwelijks te doen. Ik had er dan ook een bloedhekel aan. Daarna moest ik ook nog vanuit een mand de wasstukken pakken en aan moeder geven. Dan hoefde ze niet te bukken. Ze hing alles sapperdeflap met wasknijpers aan de waslijn in de achtertuin.

Huis aan huis gebeurde hetzelfde; hoogstens verschillend door de aan de was toegevoegde luiers of kleine luiertjes. Die laatste lapjes gaven mij reden te vragen : ‘wat zijn voor lapjes daar bij de buren, mama?’
Dat zijn grote washandjes, jongen’.
Enige tijd na het op de markt komen van NEFA-maandverband, verdwenen die ‘grote washandjes’ van de lijnen.

Ik denk dat het hele wasproces in 90% van de huishouden op de door mij beschreven wijze werd uitgevoerd. Alleen de wat meer gefortuneerden besteedden de was uit of hadden een eerste vorm van een stalen bak met elektrisch aangedreven schoep.
Dat was niet voor ons weggelegd. Een eerste vorm van mechanisatie die huisvrouwenhanden uit het sop konden houden, kwam in 1952

Er werd iets langs uitgepakt. Ik kon het niet thuisbrengen, maar al snel stond een steel met een soort stalen UFO aan de onderkant, in de teil met was. Er ontspon zich een stampproces dat mij deed denken aan stamppot maken in een gaarkeuken.
‘Het wordt écht schoon’, juichte mijn moeder. Voor mij werd het een dag des oordeels, want ik werd benoemd tot bediener van de wasstamper. Als ik thuis was op wasdag, dan was ik de sigaar; om maar geen erger woord te gebruiken.
Zo’n wasstamper ging helaas jaren mee.

Aan een ieder die op wasdag in de eenentwintigste eeuw de luxe wasmachines en droogautomaten moet vullen en legen en daar nog over klaagt, draag ik dit artikel op.
Voor jullie is bij Vindingrijk te Breda nog een vintage wasstamper te koop.

donderdag 10 januari 2019

Zwembad Kapelstraat en Stalin





Vroeger was zwemles een verplicht nummer. Als je ouders je niet stuurden, dan was er ‘schoolzwemmen’. Niemand ontliep zijn lot. Een ‘naargeestig lot’, dat was het.


Ik leerde begin jaren ’50, als zesjarige, zwemmen in zwembad Kapelstraat te Hilversum. Bij de bouw in 1937 was dat een ultramoderne inrichting, gericht op ‘sportzwemmen’ en ‘genoeglijkheidszwemmen’. Dat laatste heb ik niet ervaren.


Als ik nu naar de foto’s uit die tijd kijk, begrijp ik dat maar al te goed. Met alle ramen ‘getralied’ leek het van buitenaf al op een gevangenis uit de Oostkant van Europa. Het grensde, heel toepasselijk, direct aan het politiebureau. Na binnenkomst via de toegangsdeur, liep je aan tegen een glazen kooi met luikje voor betaling van kaartje of vertoning van je abonnement. De stevige tante in het receptie-aquarium had de uitstraling van iemand die zojuist de inhoud van een asbak had opgegeten.


Via de kleedhokjes bracht mijn moeder mij de eerste keer, als bibberend en angstig jongetje en al door leeftijdsgenoten voorbereid op wat mij te wachten stond, naar de zwemjuffrouw. Het woord ‘klantvriendelijkheid’ moest nog worden uitgevonden. ‘Doen wat ik zeg’. Alle begin vond plaats in het zo genaamde ‘pierenbad’; watergewenning en de eerste onderdompelingen. Als je dit achter de rug had, dan werd het tijd voor de hengel; een martelwerktuig waaraan je angstig in het water werd gehangen. Een ‘kenau’ in witte jas bulderde instructies. Ik was bang voor de verdrinkingsdood. Hetzelfde gebulder klonk later, toen ik  achter een de witte haak van een lange stok de eerste losse schoolslagbewegingen maakte. In deze sfeer behaalde ik mij diploma’s. De dood of de gladiolen.


Ik kwam er overigens nog genadig vanaf, want in dit zwembad was de heerser een beroemde en beruchte zwemtrainer; Jan Stender. Ik zag de huilende arme zielen die hem waren toevertrouwd, nog harder beven dan ik. Wat kon die man schreeuwen! Hij deinsde er niet voor terug zijn onwillige klantjes gewoon in het water te gooien. 


Jan werd de ‘beul van Hilversum’ genoemd en door de zwembond wegens een ‘niet pedagogische aanpak’ afgeserveerd. Maar ik zou hem tekort doen als ik niet zou vermelden dat zijn trainingsmethoden Nederland een reeks zwemkampioenen heeft opgeleverd; bij voorbeeld Nel van Vliet, Geertje Wielema, Mary Kok , Judith de Nijs e.a.Zij kunnen ook alles kunnen vertellen over de goede kanten van deze ‘beul’.  


In deze column staat de ervaring van een kind van zes. De leeftijdsgenoten van nu leren zwemmen met ‘easy swimmethoden’, swimfun’,’personal swimming’ en  ‘knuffelzwemmen’  in al dan niet subtropische zwemparadijzen.


De stalinistische zwemomstandigheden hebben mij gemaakt tot iemand die nog steeds een bloedhekel heeft aan zwemmen.Maar als je mij nu in het water gooit, dan zal ik gewoon wegzwemmen. Ik moet jullie dat echter ten stelligste  ontraden, want ik ben inmiddels een erg groot ‘bommetje’.


zondag 6 januari 2019

Kerstbomen jatten



Vroeger keken we als kinderen uit naar het moment dat de kerstbomen in huizen weer werden afgetuigd. Dat was in de eerste week van het nieuwe jaar. Het regende naalden in de woonkamers en de vrouwen des huizes haalden opgelucht adem als de spar door de openslaande deuren vanuit de huiskamer naar de tuin werd afgevoerd.
Soms werden daar de takken vanaf gesneden om ‘over de bloembollen’ te leggen. Het vroor in die tijd nogal eens streng in de winters.

In de wandelgangen werd door ‘grote jongens’ bepaald op welke dag we ons zouden storten op het ‘kerstbomen jatten’. De nacht ervoor sliep je van opwinding nauwelijks.
We woonden in een buurt met forse rijtjeshuizen. Daarachter lagen brandgangen om met de fiets bij de schuurtjes te komen, te vluchten in geval van brand, of te vrijen als het donker was.
De tuinen waren alle aan de brandgangzijde afgeschermd met een schutting, waarop in die tijd nog geen taal stond. Een stevige deur, ‘poort’ genoemd, verschafte toegang tot de tuin.

De strijd begon. Eerst even springen of klimmen om over de schutting heen te kunnen kijken of de kerstboom al lag te wachten. Voorzichtig de schuttingpoort op een kier, kijken of het veilig was en dan bliksemsnel de tuin in om de boom pakken. Rennen voor je leven. Niet zelden werd je uitgescholden omdat de boom voor de bollen was gereserveerd.Juist die gevallen gaven ons het meeste lol.
Zo werd de hele buurt afgestruind en de hoeveelheid bomen was immens.
In de grensgebieden met andere buurten ontstond verbale of fysieke strijd. Daar stonden twee partijen te trekken aan één boom.

De ouders van de ‘grote jongens’ hadden gevoel voor de kinderpret en gingen akkoord met tijdelijk gebruik van de tuin voor opslag. 
Om vijf uur ’s middags gaf de aanvoerder het signaal van ‘lopen’. Tientallen kinderen, groot en klein, pakten meerdere bomen bij de top en sleepten deze in een bonte rennende stoet met meer dan honderd sparren naar de Hilversumse heide. Daar wachtte een zandplek, ‘het witte zand’ genoemd op de grote stapel, die binnen de kortste keren huishoog  in de fik stond. Jaar na jaar.

De grootste oogst hadden wij in 1954; drie tuinen bomvol. We stonden klaar om ‘de hei’ weer te bestormen. Een politieauto en een gemeenteoplegger reden voor. Een van de bloembollenvrienden uit de buurt had hoogverraad gepleegd. 
De gemeentemannen waren meer dan een uur bezig om onze bomen op te laden. De politie bleef niet wachten. De mannen vergaten één van tuinen en toen ze met de zwaar beladen auto weg reden, renden van alle kanten kinderen toe om nog een flinke portie bomen van de kar te trekken. De Gemeentemannen reden met een glimlach door.
Dat jaar was voor ons het allermooist. Verboden vruchten smaken het lekkerst. En al die jaren is er niets verkeerds gebeurd. Alleen een restant met houtskool moest worden opgeruimd en dat gebeurde netjes. 

Jullie begrijpen nu wel waaraan ik moest denken bij het zien van die kathedraal van pallets op het strand van Scheveningen. Een ‘vreugdevuur’ dat heel Scheveningen opzadelde met schade. 
Geen lol van het stiekeme jatten van een Kerstboom, maar het krijgen en kopen van stapels pallets die er als nieuw uitzien. Is dat nu mooier dan een Kerstboomvuur?

Ik ben er nu te oud voor, maar anders zou er hier in de buurt geen Kerstboom meer veilig zijn.