dinsdag 26 februari 2019

Historische kwelspelen

We hebben recent in de krant kunnen lezen dat met Pinksteren op Schiermonnikoog ‘Kallemooi’ wordt gevierd. Het is een soort mei-feest rond een hoge mast waarin een voorjaarstak wordt opgehangen.
Het is traditie dat op Pinkster-zaterdag een jongeling uit het dorp ergens een haan steelt. Het dier wordt rond middernacht in een mand plechtig naar de top van de mast gehesen. De dorpsgemeenschap bestormt de café’s om uitgebreid ‘Kallemooi’ te vieren. Na afloop van het feest, op Pinksterdrie ’s avonds, wordt de haan in een optocht teruggebracht naar de rechtmatige eigenaar. De toestand waarin? Daar kraait geen haan naar; al wordt naar voren gebracht dat het beestje goed werd verzorgd.

Om eerlijk te zijn: ik vind het wel wat hebben, die oude tradities. We hebben er nog zo weinig meer. Doorgaan dus, al stel ik voor dat de jongeling een chocoladehaan bij de bakker steelt en die in de mand laat ophijsen. Dan kan je hem na afloop met z’n allen opeten.

Laatst vertelde ik een kennis (generatie jonger dan ik) van het feit dat in de 50er jaren op de kermis een tent stond waar je voor publiek met een beer kon vechten. De beer deelde menig rake oplawaai uit. Pas nadat ik foto’s toonde, werd ik geloofd.

Ik kom met mijn bovenstaande opmerking over tradities wel voor een dilemma te staan. De tradities bestaan in te veel gevallen uit ‘kwelspelen’. Het waren populaire volksvermaken op jaarmarkten en kermissen; in alle gevallen nu door ons beschouwd als dierenmishandeling.
Ik heb Wikipedia geraadpleegd voor een compleet overzicht. Bij het lezen weet ik mij geen houding te geven. Het varieert van afschuw en ontzetting ,tot een voorzichtige lach. Dat laatste met het idee van ’hoe komt de mens zo gek’.

Ik noem uit de Wikipedia-bron een paar van die kwelspelen: ganstrekken, palingtrekken, hanen bekogelen, katknuppelen (wordt nog steeds gedaan, maar kat is vervangen door hout), katbranden, stierenvechten, vossen jagen (om dit weer te mogen doen, willen de Engelsen uit de EU), duiven schieten (nu van klei), vossenwerpen, dierenduels (hanen, kempvissen), sportvissen, rodeo, dansende apen in livrei enzovoort.

Ik sluit mijn ‘reis’ door kwelspel-land met een laatste voorbeeld van dichtbij huis af. In het Friese Rinsumageest deed men vroeger aan hûnewippen. Een hûn is een hond in het Fries.
Voordat de niet-friezen daar verkeerde ideeën bij hebben: het gaat bij hûnewippen om ‘hond gooien’. Met een grote bijna-kattenpult schoot men honden in de lucht. Een afschuwelijk lot voor de huisvrienden. De inwoners van Rinsumageest worden daarom, jaren nadat een einde is gekomen aan het misfdadig ‘honden gooien’, nog steeds hûnewippers genoemd.

De traditionele kweltijden zijn voorbij en wie zich er nu toch nog aan waagt, weet zich verzekerd van de toorn van moeder MarianneThieme. Met Pinkster is zij bij ‘Kallemooi’ op Schiermonnikoog. Zij weet nog niet dat daar een chocoladehaan wordt opgehesen.

zaterdag 23 februari 2019

Weet je het nog: een Goggomobiel?




Het gebeurde op een zaterdagmiddag in het voorjaar van 1955. We waren net druk met een spelletje boompjewisselen, toen en een heel kleine, uit zijn krachten gegroeide, dinky toy de straat in kwam rijden. Het autootje stopte voor het huis van de familie Hofer. De twee flinke, statige 60plussers wrongen zich door de kleine deurtjes naar buiten en bleven nog even glunderend staan om hun nieuwe crèmekleurige aanwinst te bekijken.

Wij hadden uiteraard ons bomenspel direct beëindigd en staarden met open mond naar het schouwspel. ‘Haha, ze denken dat het een auto is!!”
Toen de trotse bezitters in huis waren, slopen wij op het dingetje af. ‘Het is een godvermobiel’, zei Jaap, een van de buurkinderen. Nee, er staat ‘Goggomobiel’ op de voorklep, zei de brave Ineke van daarnaast. Mijn ouders hadden mij, hoewel niet uit geloofsovertuiging, nadrukkelijk verboden te vloeken. Het enigszins verbasteren van een automerk viel hier, naar mijn mening, niet onder. Ik besloot dat het een ‘godvermobiel’ was en dat ook zou blijven.

Uiteraard was de godvermobiel ook het onderwerp gesprek bij de volwassenen. Onze  benaming werd door velen overgenomen.
‘Wie ter wereld maakt er nu zo’n auto?’
Ik kan jullie dat nu, na een uitstapje internet, vertellen.

In het begin van de achttiende eeuw startte ene Marcus Glas met veel succes in Pilsting (Duitsland)een reparatiewerkplaats voor landbouwwerktuigen. Andreas, zijn zoon, zette de zaak voort in nabijgelegen Dingolfing en zette ook zware stoomlandbouwmachines op het reparatierepertoire. Ik heb geen idee wat daar al stomend passeerde.
Hans Glas, een volgende Telg, was ambitieuzer: ‘ik ga auto’s maken’. Hij maakte het nog waar ook.
Een ter zake deskundige had hem daarbij aangeraden om klein te beginnen. Hans dacht dat hij de auto’s bedoelde. Zo is het gekomen.

De eerste Goggomobiel zag in 1955 het levenslicht; een autootje van 125 x 290 x 131 centimeter. Het had een 250 cc motortje en had een topsnelheid van 80 kilometer per uur. Het kostte f. 3495; alsof je een emmertje leeg gooit.

Vraag me niet hoe het kan, maar de heer Hofer moet een van de eerste exemplaren hebben gekocht. ‘Misschien wel met hulp van vriendjes in Duitsland’. Dat kon niet worden bewezen.

De heer en mevrouw Hofer reden enkele jaren zielsgelukkig met het pruttelbakje in het rond.
Wij wenden aan het idee, maar het bleef stug een klein k-autootje en een godvermobiel.
‘Waarom hebben ze geen kinderen’ vroeg Jaap aan zijn ouders. Schaterend had zijn vader geroepen ‘de achterbank is te klein voor de liefde’. I kan mij daar nu wat bij voorstellen.

In 1969 was de godvermobiel ineens uit ons straatbeeld verdwenen. Hofer liep een beetje mank en zijn vrouw was een weekje logeren bij familie in Duitsland. Een roddelcircuit kwam op gang.De dameskapper van de hoek wist het: ‘Tegen een boom. Ze hebben het dak op moeten rollen als een sardineblikje. Zo zijn ze eruit gehaald.’ Die permanentinzetter had altijd de vreemdste roddelverhalen en de inhoud van deze werd ook nooit bewezen.

In 1969 rolde ook de laatste Goggomobiel van de band. Er zijn er 214313 gemaakt. Hans Glas verkocht zijn toko aan BMW. Die gebruikten technieken om een eigen monster te maken; de Isetta. Ook daar viel na een ongeval niet meer uit te komen. Eén grote openslaande deur aan de voorkant! De twee inzittenden maakten met deze bouw, zonder twijfel onderdeel deel uit van de kreukelzone. Twee vliegen in één klap.

Jammer je ziet ze niet meer: goggootjes tussen onze welvaartskarren. Ik zou er toch zo graag nog een willen tegenkomen. Ik ‘mag’ nog steeds niet vloeken, maar het is dé gelegenheid om nog een keer te roepen: Kijk, kijk, een godvermobiel!!!!!

De Injectiespuit


Vroeger waren de injecties nog échte injecties en niet van die lullige prikjes als tegenwoordig.
Ik zie ze nog voor mij, die grote glazen spuiten met van die dikke naalden, waardoor lekker veel vloeistof in één keer de lichaam ingejensd werd.
Die spuitdingen werden na elke injectieronde gesteriliseerd en met elke nieuwe prik werd de hergebruikte naald botter. Het was effectief voor de zuster, maar de schrik van elk schoolkind.

Op de Marnixschool voor Lager Onderwijs ging de mare al dagen tevoren door de school: we worden weer ingeënt. Ik weet echt niet meer voor wat we allemaal in prik in arm of kontje kregen, maar één priksoort herinner ik mij als de dag van gisteren: de Difterieprik.
Difterie, ook wel kroep genoemd, was een levensgevaarlijke bacteriële infectie; via o.a. hoesten doorgegeven aan ieder inademend persoon.
Nuttig dus, maar de spuit was groot en de naald dik. De entvloeistof werd ter plaatse in de spuit opgezogen. Het woord privacy was nog niet uitgevonden. Een prik in het zitvlees kreeg je ‘en publique’.

Op een dag, ik zat toen in de zesde klas, was het al weer duidelijk: wij krijgen weer ‘difterie’. We bedoelden dan ‘de prik’.
Twee verpleegsters met witte schorten en harde kapjes op, moesten hun beulswerk verrichten in de vergaderkamer van het schoolhoofd.
We moesten in de rij staan voor de deur van die kamer; de kreetjes van slachtoffers waren hoorbaar.
‘Ha, ha, jij krijgt die botte naald’ pestte een klasgenoot mij.
‘Arm van je trui omhoog’ bitste de verpleegheks.
Een grote klodder bruine jodium werd op mijn arm neergekwakt. Ik herinner mij ‘de doodsteek’ en dat ik daarna weer wakker werd, liggend op de grond direct naast mede-slachtoffer Rob Scheffer.
We waren ‘onder zeil’ en dat was iets om je voor te schamen. Terugkijkend, vind ik het beslist een vorm van kindermishandeling.

Ik ben nog jaren bang geweest voor prikken; niet zozeer meer om de pijntjes maar wel omdat ik voor geen prijs de afgang van flauwvallen weer wilde beleven.

Tegenwoordig is alles disposable. De prikken voel je nauwelijks meer, want de spuiten zijn voor eenmalig gebruik, al gevuld met het vergif, en de naaldjes vlijmscherp.
De medemens is al zo assertief geworden dat verkeerd prikken niet meer wordt geaccepteerd.

Bijna alle hulp- en verbandmiddelen zijn op dit moment disposable. Alleen instrumenten worden nog gesteriliseerd. De ziekenhuismagazijnen puilen er van uit. Waar vroeger twee mannen een heel ziekenhuis bevoorraadden zijn het er nu tien of meer.
Als je vroeger een nieuwe heup kreeg aangemeten, was je een half jaar uit de roulatie. Nu ga je de dag van de operatie of die erna al weer met een kruk naar huis. Wat is het in deze tijd veel beter!

Maar hoe scherp ook de naald en hoe goed ook huidige de prikgever is, velen zetten zich op het ‘moment x’ nog even met gemengde gevoelens schrap voor het komende prikje.

Rob Scheffer en ik vinden jullie daarom ‘watjes’. In onze jeugd overleefden wij nog ‘botte spuiten , zo groot als een emmer’.

De wasstamper



Vroeger, toen de wasjes nog wassen waren, was de maandag wasdag. Vraag me niet waarom die wasdag voor de was was, maar het was zo.
Ik herinner het mij uit het eind van de veertiger en begin van de vijftiger jaren. Alles ‘op de hand’. Je had kleine wasjes en grote wasjes. Voor mij als kind, was dat één pot nat.

De ‘pot nat’ ontstond uit water dat in een grote pan op de gasvlam kokend heet werd gemaakt. Daarna werd de inhoud in een teil met koud water en zeep gegoten. Dat was dan ‘een lekker warm sopje’. De teil werd op een tafeltje gezet en een geribbeld wasbord stond erin.

Moeder deed haar oudste schort voor en nam een boender in de hand. Stuk voor stuk belandden de wasdelen op het ribbeltjesbord om daar schoon geschrobd te worden.
Daarna gingen de lappen, onderbroeken, lakens, sokken en ouderwetse zakdoeken door de wringer. Dat was een soort pastamachine voor was. De was werd door het apparaat gedraaid en een behoorlijke hoeveelheid water werd uit de doeken gedaan.

Ik werd bij de wringer geroepen. ‘Werk aan de winkel’. Met zo’n doek of laken tussen de rollen was dat voor een kind nauwelijks te doen. Ik had er dan ook een bloedhekel aan. Daarna moest ik ook nog vanuit een mand de wasstukken pakken en aan moeder geven. Dan hoefde ze niet te bukken. Ze hing alles sapperdeflap met wasknijpers aan de waslijn in de achtertuin.

Huis aan huis gebeurde hetzelfde; hoogstens verschillend door de aan de was toegevoegde luiers of kleine luiertjes. Die laatste lapjes gaven mij reden te vragen : ‘wat zijn voor lapjes daar bij de buren, mama?’
Dat zijn grote washandjes, jongen’.
Enige tijd na het op de markt komen van NEFA-maandverband, verdwenen die ‘grote washandjes’ van de lijnen.

Ik denk dat het hele wasproces in 90% van de huishouden op de door mij beschreven wijze werd uitgevoerd. Alleen de wat meer gefortuneerden besteedden de was uit of hadden een eerste vorm van een stalen bak met elektrisch aangedreven schoep.
Dat was niet voor ons weggelegd. Een eerste vorm van mechanisatie die huisvrouwenhanden uit het sop konden houden, kwam in 1952

Er werd iets langs uitgepakt. Ik kon het niet thuisbrengen, maar al snel stond een steel met een soort stalen UFO aan de onderkant, in de teil met was. Er ontspon zich een stampproces dat mij deed denken aan stamppot maken in een gaarkeuken.
‘Het wordt écht schoon’, juichte mijn moeder. Voor mij werd het een dag des oordeels, want ik werd benoemd tot bediener van de wasstamper. Als ik thuis was op wasdag, dan was ik de sigaar; om maar geen erger woord te gebruiken.
Zo’n wasstamper ging helaas jaren mee.

Aan een ieder die op wasdag in de eenentwintigste eeuw de luxe wasmachines en droogautomaten moet vullen en legen en daar nog over klaagt, draag ik dit artikel op.
Voor jullie is bij Vindingrijk te Breda nog een vintage wasstamper te koop.